Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Coöperatie Coöperatieve Huisartsendienst Noord-Brabant Noordoost U.A.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 4 december 2014
ECLI:NL:RBOBR:2014:7221

werkneemster/Coöperatie Coöperatieve Huisartsendienst Noord-Brabant Noordoost U.A.

UWV geeft wisselende deskundigenoordelen over de vraag of werkneemster arbeids(on)geschikt is te achten. Kantonrechter vraagt verzekeringsarts UWV op grond van artikel 7:629a lid 5 BW om nadere toelichting.

Werkneemster is sinds 1998 in dienst van HOV in de functie van triagiste. HOV organiseert en faciliteert huisartsdiensten van bij HOV aangesloten huisartsen. Sinds 3 juni 2011 is werkneemster ziek, onder meer als gevolg van psychische klachten. Op 5 maart 2013 heeft de bedrijfsarts vastgesteld dat werkneemster arbeidsongeschikt is. Werkneemster heeft zich vanaf 28 maart 2013 beter gemeld. Er zijn verschillende deskundigenoordelen afgegeven over de vraag of werkneemster arbeidsongeschikt is. Zo heeft het UWV op 24 april 2013 geoordeeld dat werkneemster op 28 maart 2013 arbeidsongeschikt was. Op 25 juli 2013 is aan HOV een loonsanctie opgelegd. De verzekeringsarts heeft in het kader van de loonsanctie op 11 juli 2013 vastgesteld dat werkneemster arbeidsgeschikt is (maar niet vanaf welke datum). Een psychiatrisch rapport van 6 maart 2014 maakt niet duidelijk of er (medische) beperkingen zijn die leiden tot ongeschiktheid tot het verrichten van het werk als triagiste. Vanaf 1 augustus 2014 heeft HOV het loon niet meer betaald. Werkneemster heeft op 16 september 2014 (opnieuw) bij het UWV een deskundigenoordeel aangevraagd over de vraag of er sprake is van arbeidsongeschiktheid. Op 23 oktober 2014 wordt geoordeeld dat werkneemster op 6 maart 2014 en 17 oktober 2014 arbeidsgeschikt was. Werkneemster vordert (aanvullend) loon vanaf mei 2014. Zij stelt dat zij feitelijk vanaf 2012 reeds hersteld is van haar ziekte en in staat is om de bedongen arbeid te verrichten. Zij houdt zich vanaf voorjaar 2012, althans per 28 maart 2013, beschikbaar voor het verrichten van de bedongen arbeid. Daarom heeft zij recht op betaling van haar volledige loon.

De kantonrechter oordeelt als volgt. In het onderhavige geval zijn verschillende deskundigenverklaringen afgegeven, die niet leiden tot een eenduidig antwoord op de vraag of en zo ja per wanneer werkneemster arbeidsgeschikt te achten is. De kantonrechter heeft behoefte aan nadere voorlichting hierover door de verzekeringsarts van het UWV. Zij wenst op de voet van het bepaalde in artikel 7:629a lid 5 BW van het UWV antwoord op verschillende vragen te krijgen. Onder meer wordt de vraag gesteld vanaf wanneer werkneemster arbeidsgeschikt voor haar werk als triagiste is te achten en zo ja, vanaf welke datum. Gevraagd wordt zowel een ontkennend als een bevestigend antwoord goed te motiveren. Er worden nog enkele andere vragen gesteld.

Voorts is voor de toewijsbaarheid van de vordering van belang vanaf wanneer werkneemster zich bereid heeft verklaard voor het verrichten van arbeid. Werkneemster heeft eerst bij brief van 28 maart 2013 voldoende duidelijk haar bereidheid kenbaar gemaakt. Het moge zo zijn dat zij zich in de periode daarvoor ook in staat achtte de bedongen arbeid te verrichten, maar zij heeft onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan moet worden aangenomen dat zij ook in die tijd eenduidig en op een voor HOV voldoende duidelijke wijze kenbaar heeft gemaakt dat zij zich beschikbaar hield voor het verrichten van de bedongen arbeid. Volgt aanhouding van de zaak.