Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26 augustus 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:3540
werknemer/werkgever
Werkgever heeft een kantoorruimte gehuurd met bijhorende parkeerruimte. Om de garage in te rijden moet de chauffeur van een voertuig een pasje bij een slagboom tonen waarna de slagboom open gaat. De chauffeur moet dan met de auto of motor naar beneden rijden tot een roldeur die toegang tot de garage geeft. Door het tonen van het pasje bij de slagboom gaat ook de roldeur open. Op 2 november 2007 is werknemer op weg naar zijn werk op zijn motor met zijn helm op, de parkeergarage onder het kantoorpand ingereden. Bij het onder de roldeur doorrijden heeft de roldeur de helm op het hoofd van werknemer geraakt waardoor de zijkant van de helm is afgebroken en het vizier van de helm in twee stukken is gespleten. Werknemer heeft zijn motor geparkeerd en heeft vervolgens de bedrijfshulpverlener gebeld. Uit diens verslag blijkt dat de roldeur opeens naar beneden kwam, toen werknemer naar binnen reed. Sindsdien is werknemer volledig arbeidsongeschikt.
Het hof oordeelt als volgt. Voor zover de vordering van werknemer is gegrond op artikel 7:658 BW geldt het volgende. Dit artikel schept een aansprakelijkheid van de werkgever voor schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. De schade ter zake waarvan werknemer vergoeding vordert is echter ontstaan bij het met zijn motor inrijden van de parkeergarage waarin werknemer deze wilde stallen alvorens met zijn werkzaamheden te beginnen. Niet gezegd kan worden dat dit inrijden in de parkeergarage al geschiedde in de uitoefening van de werkzaamheden van werknemer. Dat inrijden heeft in de geschetste omstandigheden als woon-werkverkeer te gelden en in dat verband opgelopen schade komt op basis van genoemd artikel niet voor rekening en risico van de werkgever. Vervolgens doet zich de vraag voor of artikel 7:611 BW wel een toereikende grondslag vormt voor vergoeding van de gestelde schade van werknemer door werkgever. Werknemer heeft aan zijn stelling dat voor werkgever een waarschuwingsplicht gold het volgende ten grondslag gelegd. Werkgever was bekend met de onveilige situatie bij de toegang van de bedrijfsgarage en heeft verzuimd maatregelen te nemen. Het kwam geregeld voor dat de betreffende garagedeur onverwachts naar beneden kwam. Een melding aan de beheerder van een hapering of gebrek aan de deur zoals die na een incident in april 2005 is gedaan is niet voldoende. Nu het gebrek na april 2005 niet was verholpen had werkgever zelf zulke voorzieningen dienen te treffen die het risico op ongevallen zouden beperken indien de toegangsdeur zich onverwachts sloot, zoals het aanbrengen van een aanwezigheidsdetectie of een geluids- en/of optisch signaal. Pas na het ongeval is een verkeerslicht geplaatst, aldus nog steeds werknemer. Het hof oordeelt evenwel dat aan werkgever geen verwijt kan worden gemaakt ter zake. Hij is zelf geen beheerder, slechts huurder, van de garage. Het probleem in 2005 was verholpen. De andere incidenten zijn niet of niet overtuigend komen vast te staan. Ook op deze grondslag is werkgever niet aansprakelijk.