Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 9 december 2014
ECLI:NL:RBAMS:2014:8274
werkneemster/CSU Personeel B.V.
Werkneemster is in dienst van CSU in de functie van medewerker algemeen schoonmaakonderhoud. Zij is arbeidsongeschikt. Na haar ziekmelding kwam de re-integratie niet goed van de grond. Bij brief van 19 maart 2012 heeft het UWV een deskundigenoordeel afgegeven. Geoordeeld is dat werkneemster in staat is voor maximaal tien uur per week passend werk te verrichten. Op 5 juni 2012 heeft CSU werkneemster op staande voet ontslagen wegens het na herhaalde waarschuwing niet meewerken aan re-integratie. CSU heeft vervolgens UWV toestemming gevraagd de arbeidsovereenkomst met werkneemster op te zeggen voor zover deze nog zou bestaan. De verzekeringsarts heeft in het kader van de ontslagaanvraag vastgesteld dat er op basis van de bekende informatie geen aanleiding is de belastbaarheid aan te passen. CSU heeft met ingang van 24 november 2012 de arbeidsovereenkomst met werkneemster opgezegd voor zover deze nog zou bestaan. In het kader van de aangevraagde Ziektewetuitkering heeft de verzekeringsarts op 5 november 2012 vastgesteld dat van werkneemster geen reële arbeidsprestatie verlangd kan worden. De beslissing over de loongerelateerde WGA-uitkering is ook op dit oordeel gebaseerd. Werkneemster vordert betaling van achterstallig salaris over de periode vanaf 10 april 2012 tot 24 november 2012. Zij stelt hiertoe dat blijkens de rapportage van de verzekeringsarts d.d. 5 november 2012 zij niet in staat is geweest tot het verrichten van re-integratiewerkzaamheden.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkneemster heeft een recente rapportage van de verzekeringsarts in het geding gebracht. Daarom kan van haar niet in redelijkheid gevergd worden dat zij ook nog een separaat deskundigenoordeel overlegt (zie ook HR 20 december 2013, AR 2013-1019). Dit betekent dat werkneemster ontvankelijk is in haar vordering dan wel dat deze vordering niet bij voorbaat moet worden afgewezen. Gelet op de rapportages, waar de kantonrechter het mee moet doen nu een recent deskundigenoordeel ontbreekt, wordt geoordeeld dat de rapportage van 5 november 2012 voor de onderhavige loonvordering te weinig gewicht in de schaal kan leggen. De rapportage is geschreven met het oog op de beantwoording van de vraag of werkneemster verwijtbaar ontslagen is. De vraagstelling is bijvoorbeeld niet geweest of werkneemster over de voorliggende periode, vanaf 10 april 2012 arbeidsongeschikt was en/of terecht een loonsanctie was opgelegd. Verder staat in het advies van de verzekeringsarts duidelijk vermeld dat werkneemster recent ontslagen is door haar beide werkgevers en zij het door het ontslag nu nog moeilijker heeft. Dit laat te veel de mogelijkheid open dat de gezondheidssituatie van werkneemster na de opzegging van de arbeidsovereenkomst, dat wil zeggen na 12 oktober 2012, verslechterd is en zij nadien niet meer in staat is geweest eventuele passende werkzaamheden te verrichten. Het is denkbaar dat werkneemster vanaf de datum dat haar de opzegging voor zover vereist bereikt heeft, daags na 19 oktober 2012, al niet meer in staat was passende werkzaamheden te verrichten. Dit leidt echter niet tot een loonaanspraak. Werkneemster heeft niet tijdig, dat wil zeggen binnen zes maanden na het haar op 5 juni 2012 gegeven ontslag op staande voet, de nietigheid van dit ontslag ingeroepen, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst reeds op 5 juni 2012 rechtsgeldig is geëindigd en nadien hoe dan ook geen aanspraak op loon heeft bestaan. Volgt afwijzing van de vordering.