Naar boven ↑

Rechtspraak

A/Centrum Da Vinci B.V.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 24 september 2014
ECLI:NL:RBNHO:2014:10667

A/Centrum Da Vinci B.V.

Arbeidsverhouding met tandarts in opleiding wordt gekwalificeerd als arbeidsovereenkomst. Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig, omdat verweten gedragingen niet zijn komen vast te staan. Toewijzing loonvordering. Afwijzing vordering tot vergoeding studiekosten.

Da Vinci is een tandheelkundig centrum. X is als bestuurder de enig leidinggevende en verricht feitelijk als enige de tandheelkundige werkzaamheden. A is de zus van X. A heeft zich op enig moment ingeschreven aan de Universiteit van Debrecen te Hongarije voor een opleiding tot tandarts. De kosten van de opleiding werden door Da Vinci betaald. Begin juli 2013 heeft X aangekondigd de kosten van de opleiding niet meer te betalen. Op 17 juli 2013 is A op staande voet ontslagen, onder meer vanwege het overgeven aan liederlijk gedrag, uitschelden en het gebruik van verbaal geweld en het bekendmaken van bedrijfsgeheimen. In geschil is of sprake is van een arbeidsovereenkomst en of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Tussen partijen is sprake van een arbeidsovereenkomst ex artikel 7:610 BW. De opleidingsactiviteiten van A kunnen tot het verrichten van arbeid worden gerekend. Partijen hebben bij aanvang beoogd dat A na voltooiing van de opleiding als tandarts binnen de onderneming van Da Vinci werkzaam zal zijn, althans dit is niet gemotiveerd weersproken. In zoverre valt onderhavige situatie niet gelijk te stellen met die van een stagiaire die in het kader van een reguliere opleiding praktijkervaring opdoet. Aan dit alles doet niet af dat A volgens Da Vinci in de afgelopen jaren nauwelijks enige studievoortgang heeft gemaakt. Eveneens is sprake van een gezagsverhouding. Dit blijkt onder meer uit de verplichting tot verantwoording over de studievoortgang, die volgens Da Vinci altijd heeft bestaan. Ook ontving A instructies van X. De door Da Vinci aan A door de jaren heen verrichte betalingen, voor zover deze niet vallen onder vergoeding van studiekosten, kunnen niet anders worden beschouwd dan als loon voor de te verrichten arbeid. Ook uit de verdere uitvoeringshandelingen van partijen kan het bestaan van een arbeidsovereenkomst worden afgeleid. Zo is A op de loonlijst geplaatst en heeft Da Vinci loonbelasting afgedragen. Dit alles in onderlinge samenhang bezien, kan als vaststaand worden aangenomen dat partijen een arbeidsovereenkomst hebben gesloten.

Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig, omdat een dringende reden ontbreekt. Da Vinci baseert het ontslag op hetgeen op 15 juli 2013 en nadien is voorgevallen. Hoewel de directe aanleiding van een en ander is gelegen in de aangekondigde stopzetting van de financiering van de studie van A, is niet gebleken dat A actief heeft bijgedragen aan de schermutselingen waarvan X het slachtoffer is geworden. Ten aanzien van de gestelde blokkade van het e-mailaccount is niet komen vast te staan dat A zich hieraan schuldig heeft gemaakt. De overige verwijten die namens Da Vinci zijn geuit in de ontslagbrief zijn in dit geding onvoldoende feitelijk onderbouwd. De loonvordering wordt tot 15 december 2013 (datum voorwaardelijke ontbinding) toegewezen. A heeft niet aan de redelijkerwijs te stellen voorwaarden voldaan om vergoeding van de gevorderde studiekosten te verlangen. A heeft Da Vinci ten onrechte niet op de hoogte gehouden van zijn studievoortgang. Tevens geldt dat Da Vinci, zonder dat dat haar in overwegende mate kan worden aangerekend, door de beƫindiging van de arbeidsovereenkomst niet kan profiteren van haar investering in de studie van A. Dit deel van de vordering wordt afgewezen.