Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 16 december 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:9782
werkneemster/Stichting Redemptio
Werkneemster is op 5 april 2006 op basis van een zogenoemd nulurencontract bij (de rechtsvoorgangster van) Redemptio in dienst getreden, laatstelijk voor onbepaalde tijd tegen een uurloon van € 12,73 bruto exclusief vakantiegeld. Werkneemster was aanvankelijk werkzaam als receptioniste/gastvrouw op de locatie De Zwanenhof. Vanaf 2007 verrichtte zij ook PR- en acquisitiewerkzaamheden, alsmede werkzaamheden op de afdeling Planning en Reservering. Vanaf week 11 van 2009 is zij PR- en acquisitiewerkzaamheden voor de Stichting Catering Twente (hierna: SCT) gaan verrichten. SCT heeft vanaf februari 2011 geen werk meer. Bijgevolg heeft Redemptio de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen te ontbinden. Dit verzoek is aanvankelijk geweigerd. Het tweede verzoek heeft uitgemond in een ontbinding per 1 september 2011. Werkneemster heeft loon gevorderd. De rechter heeft het loon voor gemiddeld 25 uur per week toegewezen. Volgens werkneemster bedraagt heer loonvordering meer, te weten bijna 120 uur per maand. Werkneemster heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat op basis van de periode oktober 2007 tot en met december 2007 – met inachtneming van artikel 7:610b BW – een arbeidsovereenkomst is ontstaan met een omvang van gemiddeld 119,15 uur per maand. Op basis van deze arbeidsovereenkomst heeft Redemptio over de periode van januari 2008 tot en met augustus 2011 te weinig loon betaald. Volgens Redemptio is artikel 7:610b BW niet van toepassing.
Het hof oordeelt als volgt. In artikel 7:610b BW is bepaald dat, indien de arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, de bedongen arbeid in enige maand wordt vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden. Uit de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van dit artikel volgt dat dit rechtsvermoeden houvast beoogt te bieden in situaties waarin de arbeidsomvang niet of niet eenduidig is overeengekomen, alsmede in situaties waarin de feitelijke omvang van de arbeid zich structureel op een hoger niveau bevindt dan de oorspronkelijk overeengekomen arbeidsduur (Kamerstukken II 25263, 3, p. 22 en 23). Partijen zijn een gemiddelde arbeidsduur van nul uren per week overeengekomen. Uit de door werkneemster overgelegde salarisspecificaties, waarvan Redemptio de juistheid niet heeft betwist, blijkt dat in de periode van november 2007 tot en met augustus 2011 het aantal door Redemptio aan werkneemster betaalde arbeidsuren fluctueerde en dat werkneemster in ieder geval structureel meer uren heeft gewerkt dan het gemiddeld aantal uren [nul; Red.] dat partijen zijn overeengekomen. Gelet op voornoemde strekking van artikel 7:610b BW is het rechtsvermoeden op zodanige situatie van toepassing.
Hoewel uit HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0017 volgt dat een op artikel 7:610b BW gegronde vordering met terugwerkende kracht kan worden toegewezen, ziet het hof in de omstandigheden van het onderhavige geval noodzaak die terugwerkende kracht te beperken, omdat met het werken voor SCT de arbeidsomvang aanmerkelijk is uitgebreid. Derhalve wordt de loonvordering vanaf februari 2011 toegewezen. Referteperiode wordt op 12 maanden gesteld, met als gevolg dat de arbeidsomvang 110 uur bedraagt.