Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemers/Van Den Bosch Transporten B.V. c.s.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 8 januari 2015
ECLI:NL:RBOBR:2015:18

werknemers/Van Den Bosch Transporten B.V. c.s.

Detacheringsrichtlijn is óók van toepassing wanneer de (transport)werkzaamheden vanuit een lidstaat worden verricht, ook al vindt het transport zelf maar voor een gering deel op het Nederlandse grondgebied plaats. Hongaarse chauffeurs hebben recht op loon naar Nederlands recht.

Tien Hongaarse werknemers zijn werkzaam als internationaal vrachtwagenchauffeur. Van den Bosch BV oefent een transportonderneming uit. Van den Bosch BV en Silo-tank Kft zijn zusterondernemingen. Zij behoren tot hetzelfde concern. Van den Bosch BV is lid van de Vereniging Goederenvervoer Nederland. Goederenvervoer Nederland heeft met FNV een CAO Goederenvervoer afgesloten, laatstelijk per 1 januari 2012 (hierna: CAO GN). De CAO GN is algemeen verbindend verklaard. De CAO GN heeft een looptijd tot en met 31 december 2013. Daarnaast is de CAO Beroepsgoederenvervoer over de weg en verhuur mobiele kranen (hierna: CAO Beroepsgoederenvervoer) met ingang van 31 januari 2013 tot en met 31 december 2013 algemeen verbindend verklaard. De werknemers hebben een schriftelijke arbeidsovereenkomst met Silo-tank Kft gesloten. Zij ontvangen loon naar Hongaars recht. De Nederlandse basisarbeidsvoorwaarden zoals neergelegd in de CAO Beroepsgoederenvervoer noch de financiële arbeidsvoorwaarden in het Nederlands arbeidsrecht worden op de werknemers toegepast. De werknemers vorderen primair voor recht te verklaren dat Van den Bosch BV als werkgever heeft te gelden en dat het door Van den Bosch BV gegeven ontslag nietig is. Voorts vorderen zij betaling van achterstallig loon van Van den Bosch BV en subsidiair van Silo-Tank. Zij stellen dat de werknemers feitelijk al hun opdrachten van Van den Bosch BV hebben ontvangen. Ook hebben zij nagenoeg al hun werkzaamheden in en vanuit Nederland en ten behoeve van Van den Bosch BV verricht. Volgens de werknemers zijn zij slechts op papier in dienst (geweest) van Silo-tank Kft en hebben zij recht op het Nederlandse loon. De werknemers leggen aan hun vorderingen tegen Silo-tank Kft ten grondslag dat Silo-tank Kft gehouden is om op grond van artikel 6 EVO dan wel artikel 8 Rome I Nederlandse basisarbeidsvoorwaarden toe te passen en aldus Nederlands loon aan de werknemers te betalen, nu zij met name als chauffeurs op ritten in, vanuit en naar Nederland werken. Nederland is aldus het land alwaar zij gewoonlijk hun werk verrichten. Daarnaast zijn op grond van de Detacheringsrichtlijn (Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten) op arbeidsovereenkomsten als de onderhavige de financiële arbeidsvoorwaarden uit de algemeen verbindend verklaarde CAO Beroepsgoederenvervoer van toepassing, en zijn na het einde van die cao de Nederlandse bepalingen betreffende het wettelijke minimumloon, de wettelijke vakantiebijslag en de vakantiedagen van toepassing.

De kantonrechter oordeelt als volgt. De stelling van de werknemers dat Van den Bosch BV als werkgever moet worden aangemerkt, wordt niet gevolgd. Onweersproken is dat Silo-tank Kft een zelfstandige rechtspersoon is en dat Silo-tank Kft arbeidsovereenkomsten met de werknemers heeft gesloten. Voorts heeft Silo-tank Kft de werknemers ontslagen, tegen welk ontslag zoals door de werknemers naar voren is gebracht, de werknemers in Hongarije een procedure tegen Silo-tank Kft aanhangig hebben gemaakt. Gebleken is weliswaar dat het salaris aan de werknemers ten laste van de bankrekening van Van den Bosch BV is gegaan, maar daar staat tegenover dat Silo-tank Kft het salaris aan de werknemers betaalt en de belasting en sociale premies aan de Hongaarse autoriteiten afdraagt. Evenmin is gebleken dat Silo-tank Kft slechts aan te merken is als een brievenbusmaatschappij. De werknemers hebben onvoldoende gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van een payrollconstructie.

Ten aanzien van de vordering tegen Silo-tank wordt het volgende overwogen. Nu de werknemers hebben gesteld dat zij hun werkzaamheden gewoonlijk vanuit Nederland hebben verricht, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen (art. 5 lid 1 EEX-Vo, art. 19 lid 2 onder a EEX-Vo, art. 21 lid 1 onder b Brussel Ibis-verordening en HR 8 oktober 1993, JAR 1993/244 (Mooij/De Waard)). Partijen verschillen van mening of Nederland het gewoonlijk werkland van de werknemers is. Aan een bewijsopdracht voor de werknemers wordt nog niet toegekomen. De werknemers hebben hun loonvordering gestoeld op de arbeidsvoorwaarden van de algemeen verbindend verklaarde CAO Beroepsgoederenvervoer. Voor zover die arbeidsvoorwaarden te beschouwen zijn als basisarbeidsvoorwaarden in de zin van de Detacheringsrichtlijn zijn deze echter niet alleen van toepassing in het geval van toepasselijkheid van het Nederlands recht, maar ook in het geval dat de Detacheringsrichtlijn van toepassing is. De door de Silo-tank Kft in onderaanneming uitgevoerde transporten zijn in ieder geval onder te brengen bij het geval zoals omschreven in artikel 1 lid 3 onder a van de Detacheringsrichtlijn. Evenmin kan gezegd worden dat van toepasselijkheid van de Detacheringsrichtlijn eerst sprake is als een buitenlandse chauffeur een specifieke opdracht uitsluitend of in hoofdzaak op het grondgebied van Nederland verricht. Immers, volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie moet het zinsdeel ‘op een grondgebied van een lidstaat’ in artikel 1 van de Detacheringsrichtlijn in het geval van internationaal transport gelezen worden als ‘van waaruit de werkzaamheden worden verricht’ (HvJ EU 13 juli 1993, C-125/92 (Mullox), HvJ EU 9 januari 1997, C-383/95 (Rutten), HvJ EU 25 februari 2002, C-37/00 (Weber)), welke rechtspraak thans gecodificeerd is in artikel 21 lid 1 onder b Brussel Ibis-verordening, op grond waarvan de werkgever nu ook opgeroepen kan worden voor het gerecht ‘van de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt of voor het gerecht van de plaats waar of vanwaar hij gewoonlijk heeft gewerkt’. Dit komt overeen met de uitleg van het Hof van Justitie in de zaak Koelszch over het EVO (RAR 2011/74), waarin het Hof heeft geoordeeld dat met het land van ‘waar’ de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht ook bedoeld wordt het land ‘van waaruit’ de arbeid verricht wordt. Deze rechtspraak is eveneens gecodificeerd in de Rome I-verordening, waarbij de commissie in het wetgevingsproces nog heeft opgemerkt dat de ‘van waaruit’-regel beter toepasbaar zou zijn op transport. Nu in alle Europese regelingen de ‘waar’-regel uitgelegd wordt als een ‘van waaruit’-regel, met name in transport, dient ook het bepaalde in de Detacheringsrichtlijn in dit licht gelezen te worden. De conclusie is dus dat de Detacheringsrichtlijn óók van toepassing is wanneer de (transport)werkzaamheden vanuit een lidstaat worden verricht, ook al vindt het transport zelf maar voor een gering deel op het Nederlandse grondgebied plaats. Er moet nog worden nagegaan wélke van de arbeidsvoorwaarden te beschouwen zijn als basisarbeidsvoorwaarden in de zin van de Detacheringsrichtlijn. Partijen krijgen de gelegenheid zich (onder meer) hierover bij akte uit te laten. Volgt aanhouding van de zaak.