Naar boven ↑

Rechtspraak

FNV Bondgenoten/Van Den Bosch Transporten B.V. c.s.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 8 januari 2015
ECLI:NL:RBOBR:2015:19

FNV Bondgenoten/Van Den Bosch Transporten B.V. c.s.

Detacheringsrichtlijn is óók van toepassing wanneer de (transport)werkzaamheden vanuit een lidstaat worden verricht, ook al vindt het transport zelf maar voor een gering deel op het Nederlandse grondgebied plaats. Ook indien Detacheringsrichtlijn niet van toepassing is, is op grond van artikel 6 EVO en artikel 8 Rome I Nederlands recht van toepassing, zodat Hongaarse chauffeurs recht hebben op Nederlands loon.

Van den Bosch BV oefent een transportonderneming uit. Van den Bosch BV is lid van de Vereniging Goederenvervoer Nederland. Goederenvervoer Nederland heeft met FNV een CAO Goederenvervoer afgesloten, laatstelijk per 1 januari 2012 (hierna: CAO GN). De CAO GN is algemeen verbindend verklaard. De CAO GN heeft een looptijd tot en met 31 december 2013. Van den Bosch BV heeft verschillende zusterondernemingen in het buitenland, waaronder Van den Bosch Transporte GmbH en Silo-tank Kft. Van den Bosch BV, Van den Bosch Transporte GmbH en Silo-tank Kft behoren tot hetzelfde concern. De Hongaarse chauffeurs hebben een arbeidsovereenkomst met Silo-tank Kft gesloten. De Duitse chauffeurs hebben een arbeidsovereenkomst met Van den Bosch Transporte GmbH gesloten. De Nederlandse basisarbeidsvoorwaarden zoals neergelegd in de CAO GN worden niet op de Hongaarse en Duitse chauffeurs toegepast. FNV stelt zich op het standpunt dat Van den Bosch BV ten onrechte de bepalingen in de artikelen 44 lid 1 en 2 en 48a van de CAO GN niet nakomt. Van den Bosch BV laat met name Hongaarse, Roemeense en Duitse chauffeurs voor zich werken tegen ver onder de in Nederland geldende cao- en minimumafspraken. Door Van den Bosch BV wordt in geval van collegiale inleen dan wel charter niet bedongen dat de Nederlandse arbeidsvoorwaarden wordt toegepast. De voornoemde cao-bepalingen zijn juist opgenomen om ervoor te zorgen dat in gevallen waarin buitenlandse chauffeurs op ritten in, vanuit en naar Nederland werken Nederlands loon betaald wordt. Deze bepalingen houden in dat Van den Bosch BV ervoor dient te zorgen dat in deze gevallen Nederlands loon aan de chauffeurs betaald wordt. Ook in de gevallen waarin Nederland het land is waar de Hongaarse en Duitse chauffeurs gewoonlijk werken dient op grond van artikel 6 EVO dan wel artikel 8 Rome I Nederlands loon betaald te worden. Silo-tank Kft en Van den Bosch Transporte GmbH handelen onrechtmatig jegens FNV door het niet toepassen van de Nederlandse basisvoorwaarden. Voor dit onrechtmatig handelen kan ook Van den Bosch BV aansprakelijk gehouden worden.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Ter beantwoording van de vraag of Van den Bosch c.s. gehouden zijn de desbetreffende cao-bepalingen na te leven, dient allereerst te worden vastgesteld of op het onderhavige geval de Detacheringsrichtlijn (Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten) van toepassing is. Niet valt in te zien dat de door de Silo-tank Kft en Van den Bosch Transporte GmbH in onderaanneming uitgevoerde transporten niet onder te brengen zijn onder een van de gevallen als beschreven in artikel 1 van de Detacheringsrichtlijn (in het bijzonder art. 1 lid 3 onder a en art. 1 lid 3 onder b). Het verweer van Van den Bosch BV wordt verworpen. Evenmin kan Van den Bosch c.s. worden gevolgd in haar betoog dat van toepasselijkheid van de Detacheringsrichtlijn eerst sprake is als een buitenlandse chauffeur een specifieke opdracht uitsluitend of in hoofdzaak op het grondgebied van Nederland heeft verricht. FNV heeft daartegen ingebracht dat het zinsdeel ‘op een grondgebied van een lidstaat’ in artikel 1 van de Detacheringsrichtlijn in het geval van internationaal transport gelezen moet worden als ‘van waaruit de werkzaamheden worden verricht’. Zij beroept zich daarbij op de uitleg die het Hof van Justitie in de zaak Mullox (HvJ EU 13 juli 1993, C-125/92) gegeven heeft aan artikel 19 lid 2 onder a Brussel I, in welk geval het Hof had geoordeeld dat met de plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt óók bedoeld wordt de plaats ‘van waaruit’ wordt gewerkt, welke uitleg bevestigd is in de zaken Rutten (HvJ EU 9 januari 1997, C-383/95) en Weber (HvJ EU 25 februari 2002, C-37/00) en welke rechtspraak thans gecodificeerd is in artikel 21 lid 1 onder b Brussel Ibis-verordening, op grond waarvan de werkgever nu ook opgeroepen kan worden voor het gerecht ‘van de plaats waar of van waaruit de werknemer gewoonlijk werkt of voor het gerecht van de plaats waar of vanwaar hij gewoonlijk heeft gewerkt’. Voorts wijst FNV op de uitleg van het Hof van Justitie in de zaak Koelszch van het EVO, waarin het Hof heeft geoordeeld dat met het land van ‘waar’ de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht ook bedoeld wordt het land ‘van waaruit’ de arbeid verricht wordt. Deze rechtspraak is eveneens gecodificeerd in de Rome I-verordening, waarbij de commissie in het wetgevingsproces nog heeft opgemerkt dat de ‘van waaruit’-regel beter toepasbaar zou zijn op transport. Nu in alle Europese regelingen de ‘waar’-regel uitgelegd wordt als een ‘van waaruit’-regel, met name in transport, dient ook het bepaalde in de Detacheringsrichtlijn in dit licht gelezen te worden, aldus FNV. De kantonrechter volgt FNV in haar argumentatie. De conclusie is dus dat de Detacheringsrichtlijn óók van toepassing is wanneer de (transport)werkzaamheden vanuit een lidstaat worden verricht, ook al vindt het transport zelf maar voor een gering deel op het Nederlandse grondgebied plaats. Uit die producties blijkt dat een grote meerderheid van de ritten feitelijk begint en eindigt in Erp en dat de transportwerkzaamheden vanuit Nederland plaatsvinden. Op dergelijke transporten is de Detacheringsrichtlijn van toepassing, indien sprake is van daadwerkelijke detachering.

Ingevolge artikel 4 lid 3 van de Handhavingsrichtlijn moeten om te beoordelen of een gedetacheerd werknemer tijdelijk zijn of haar werkzaamheden verricht in een andere lidstaat dan die waar hij of zij gewoonlijk werkt, alle feitelijke elementen die voor dat werk kenmerkend zijn, alsmede de situatie van de werknemer worden onderzocht. In het onderhavige geval moet er in sommige gevallen van uit worden gegaan dat Nederland het land is van waaruit gewoonlijk gewerkt wordt, waarmee niet voldaan is aan het tijdelijkheidsvereiste en de Detacheringsrichtlijn dus niet van toepassing is, en dat in andere gevallen Nederland het land van waaruit tijdelijk gewerkt wordt, waarmee wel voldaan wordt aan het tijdelijksheidsvereiste en de Detacheringsrichtlijn wel van toepassing is. In het geval dat de Detacheringsrichtlijn niet van toepassing is, moet worden gekeken naar het bepaalde in artikel 8 Rome I/artikel 6 EVO om vast te stellen wat het toepasselijk recht is. Als vast komt te staan dat Nederland het gewoonlijk werkland van de desbetreffende chauffeur is, is op grond van die bepalingen Nederlands recht van toepassing. Dit alles leidt tot de conclusie dat zowel in de gevallen dat Nederland het land is van waaruit tijdelijk gewerkt wordt als dat Nederland het land is van waaruit gewoonlijk gewerkt wordt, op de Hongaarse en Duitse chauffeurs de basisarbeidsvoorwaarden van de CAO GN van toepassing zijn. Dat dit een situatie is die het internationale wegvervoer in de gehele Europese Unie raakt, en dat het gevolg van een en ander zal zijn dat het werk slechts sterk verlieslatend zou kunnen worden uitgevoerd en niet door Van den Bosch BV behouden wordt maar door buitenlandse (Oost-Europese) transportondernemingen wordt overgenomen, moge zo zijn, maar kan daar verder niet aan afdoen. De zaak wordt aangehouden, zodat partijen de kantonrechter kunnen inlichten over de vraag of, en zo ja, wannéér de onderhavige cao door (een van de) partij(en) is opgezegd.