Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster en Stichting Proefprocessenfonds Clara Wichman/Universiteit van Amsterdam
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 7 oktober 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:4132

werkneemster en Stichting Proefprocessenfonds Clara Wichman/Universiteit van Amsterdam

UvA heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het bewijsvermoeden van onderscheid op grond van man/vrouw is weerlegd. Belang van statistische gegevens naar ondervertegenwoordiging vrouwelijke UD’s.

Werkneemster en de Stichting hebben (1) een verklaring voor recht gevorderd dat de UvA onderscheid naar geslacht heeft gemaakt bij de vervulling van de betrekking van UD bij de afdeling Algemene Economie van de FEB van de UvA en (2) veroordeling van de UvA tot vergoeding van de schade. Aanleiding daartoe was de sollicitatieprocedure naar de genoemde functie waarbij uiteindelijk een 31-jarige man de functie heeft gekregen, terwijl werkneemster (volgens haar) betere papieren en track record heeft. De (toen nog) Commissie Gelijke Behandeling heeft geoordeeld dat de UvA onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht. De rechtbank heeft geoordeeld dat wel sprake is geweest van een ‘vermoeden’ van discriminatie, maar dat de UvA dit vermoeden heeft weerlegd. De UvA heeft onder meer aangevoerd dat ten onrechte is geconcludeerd tot een bewijsvermoeden. Het feit dat de selectiecommissie alleen uit mannen bestond, is daartoe onvoldoende. Verder stelt zij dat de ondervertegenwoordiging van vrouwen bij de FEB geen rol mag spelen bij het aannemen van bedoeld vermoeden. Het betreft immers niet uitgewerkte cijfers waarbij ook betrokken moet worden dat een en ander een landelijk gegeven is en er ook andere oorzaken die geen link hebben met het selectiebeleid aan die ondervertegenwoordiging ten grondslag kunnen liggen. Op deze wijze zou de FEB in iedere selectieprocedure geconfronteerd worden met een vermoeden van onderscheid.

Het hof oordeelt als volgt. Vooropgesteld moet worden dat de gronden die de rechtbank aan haar aanname dat sprake is van een vermoeden van onderscheid naar geslacht ten grondslag heeft gelegd, niet op zichzelf, maar in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd. De rechtbank heeft zulks in paragraaf 4.22 ook tot uitdrukking gebracht waarbij zij tevens heeft overwogen hoe een bepaalde omstandigheid, hoewel op zichzelf niet redengevend voor een vermoeden van onderscheid, toch aan dat vermoeden kan bijdragen. Zij noemt in het bijzonder de volgende feiten die een onderscheid doen vermoeden: de selectiecommissie bestond alleen uit mannen; er was geen objectieve buitenstaander bij de sollicitatieprocedure betrokken door de UvA; de sollicitatieprocedure zoals omschreven in de tekst van de vacature is na het vaststellen van de shortlist niet gevolgd; 28% van de sollicitanten was vrouw, terwijl geen van de vier op de shortlist geplaatsten vrouw was; vrouwen zijn in het algemeen ondervertegenwoordigd in wetenschappelijke functies in Nederland, in het bijzonder bij de afdeling Economie van de FEB van de UvA, waar zelfs sprake is van een afname van het aantal vrouwelijke wetenschappers. Het oordeel van de rechtbank ligt in lijn met hetgeen de CGB eerder in haar uitvoerig gemotiveerde beslissing had overwogen, terwijl de CGB nog concludeert dat voor de vaststelling van dat vermoeden niet van belang is of het onderscheid maken bewust of onbewust is gebeurd. Het hof hecht bepaald belang aan het oordeel van de CGB. Alles afwegend komt het op dit punt niet tot andere gezichtspunten dan de rechtbank en is het met haar van oordeel dat voormelde omstandigheden in onderling verband en samenhang een vermoeden van onderscheid naar geslacht rechtvaardigen. Verder wordt nog opgemerkt dat de UvA op zichzelf niet heeft betwist dat in het algemeen en bij de FEB in het bijzonder sprake is van een ondervertegenwoordiging van vrouwen onder wetenschappers. Weliswaar is dit gegeven op zichzelf staand onvoldoende voor een vermoeden van onderscheid in een concreet geval (in zoverre is de vrees van de UvA dat zij bij iedere selectieprocedure geconfronteerd wordt met een vermoeden van onderscheid ongegrond), maar de rechtbank heeft met juistheid overwogen dat dergelijke algemene gegevens wel kunnen bijdragen aan het vestigen van een vermoeden van onderscheid. In zulke gevallen kan immers sneller worden aangenomen dat voldoende zogenaamde hulp- of intermediaire feiten zijn gesteld die onderscheid naar geslacht in een individueel geval doen vermoeden.

Het hof deelt evenwel niet de conclusie van de rechtbank dat het bewijsvermoeden voldoende is weerlegd. De UvA had daartoe aangegeven dat het onderzoek (inhoudelijk) van werkneemster niet paste bij de functie/groep FEB. Een verklaring van een getuige lijkt evenwel precies het tegenovergestelde te beweren (werkneemsters VENI-onderzoek was juist ondergebracht bij FEB). Derhalve is het bewijsvermoeden niet weerlegd en wordt de UvA in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren.