Rechtspraak
werknemer/Savannah
Savannah en werknemer zijn een arbeidsovereenkomst aangegaan per 1 oktober 2008 en eindigend op 1 april 2009, tegen een salaris van € 2.000 netto per maand. De werkzaamheden van werknemer hadden betrekking op het Marcanti-complex. Op 31 maart 2009 heeft Savannah schriftelijk het einde van de arbeidsovereenkomst per 1 april 2009 bevestigd aan werknemer. Ook na 1 april 2009 heeft werknemer werkzaamheden verricht die – mede – in relatie stonden tot het Marcanti-complex. Hij heeft daarvoor geen betaling ontvangen. Volgens werknemer is aan werknemer mondeling toegezegd dat de arbeidsovereenkomst zou worden verlengd. De kantonrechter heeft de daarop gebaseerde loonvordering afgewezen.
Het hof oordeelt als volgt. Werknemer is na 1 april 2009 op het complex blijven werken. Mede uit de getuigenverklaring van de partner van werknemer volgt dat Savannah wel degelijk een contractsverlenging heeft aangeboden. Voor zover Savannah meent dat over de vordering reeds onherroepelijk is beslist, nu het vonnis van de kantonrechter van 2 september 2009, waarin de onderhavige vorderingen eveneens aan de orde waren, in kracht van gewijsde is gegaan, miskent zij dat dit een kort geding betrof. Dat werknemer na 31 maart 2009 een uitkering heeft aangevraagd brengt vervolgens niet zonder meer mee dat geen sprake kan zijn van een (voortgezette) arbeidsovereenkomst. De slotsom is dat de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en Savannah geacht moet worden te zijn voortgezet per 1 april 2009 onder dezelfde voorwaarden als golden in het eerste contract, waaronder dus de bonusregeling.