Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 januari 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:333
Vereniging X/Stichting Sociaal Fonds Taxi
(Vervolg op AR 2014-0645.) Werkgever exploiteert een taxibedrijf en is als zodanig gebonden aan de CAO Taxivervoer. SFT houdt toezicht op de naleving van de cao. In het bij de CAO SFT behorende uitvoeringsreglement is bepaald dat indien een werkgever na ingebrekestelling door of namens het SFT gedurende ten minste 14 dagen nalatig blijft de vanwege het SFT verzochte gegevens met betrekking tot de wijze waarop hij de cao naleeft te verstrekken, dan wel onjuiste gegevens verstrekt, hij verplicht is door dat enkele feit aan het SFT een forfaitaire schadevergoeding te betalen. Op 15 september 2010 heeft SFT een onderzoek uitgevoerd bij werkgever naar de naleving van de cao’s. Bij brief van 8 oktober 2010 heeft SFT aan werkgever haar bevindingen meegedeeld en om inzage in stukken gevraagd. Werkgever heeft die stukken niet geleverd. SFT heeft werkgever nogmaals gesommeerd de stukken te overleggen op straffe van de forfaitaire boete van € 2.011,50 per week. SFT heeft werkgever in rechte betrokken en gevorderd dat werkgever de CAO Taxivervoer nakomt en voorts de forfaitaire boete betaalt (inmiddels € 289.656). Bij het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat SFT zowel nakoming van de cao als boete in de zin van het reglement kan vorderen. Over het karakter van de boete heeft het hof zich eveneens bij tussenarrest uitgelaten en verschillende componenten onderscheiden. In het tussenarrest van 15 juli 2014 heeft het hof overwogen dat aan de vordering tot overlegging van de gevraagde bescheiden een dwangsom verbonden mag worden, zulks tot een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 100.000. Hiernaast is volgens het hof ruimte voor een gematigde boete, die heeft te gelden als aanvullende schadevergoeding. Voor matiging van de wekelijks oplopende boete, zoals gevorderd (op 4 juni 2013 bedroeg deze € 289.656), was volgens het hof – gelet op de aangehaalde uitspraken van de Hoge Raad – reden omdat het ging om een in hoogte en tijdsduur onbegrensd boetebeding, waaraan werkgever is gebonden niet door dat zelf overeen te komen, maar als gevolg van algemeenverbindendverklaring van de cao. Ook oordeelde het hof dat het boetebeding zonder matiging zou leiden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat tegen de achtergrond van het, in het tussenarrest uiteengezette, doel van de boete. De immateriële schade van cao-partijen schatte het hof op maximaal € 10.000. Omtrent materiële schade was niets gesteld en omtrent de kosten van toezicht op de naleving van de cao mocht SFT zich nader uitlaten.
Het hof oordeelt thans als volgt. SFT heeft nu haar jaarstukken over 2010 overgelegd. Daaruit blijkt dat de kosten van werkzaamheden van haar uitvoeringsorganisatie met betrekking tot de cao, waaronder toezicht, onderzoek en optreden buiten rechte, in totaal 1,505 miljoen euro bedroegen. Per onderzoek (waarvan er 332 zijn afgesloten in 2010) is zij gemiddeld ongeveer € 4.533 kwijt, maar het onderzoek bij werkgever vergde meer dan het dubbele omdat werkgever de onderzoeksresultaten meermalen heeft betwist, aldus SFT onder verwijzing naar de uitgebreide correspondentie tussen partijen. Naar het oordeel van het hof heeft SFT voldoende aangevoerd om de daadwerkelijk gemaakte kosten van het onderzoek met betrekking tot werkgever te bepalen op een bedrag van in elk geval € 10.000. Werkgever heeft het totaalbedrag van € 1,5 miljoen niet weersproken en het aantal onderzoeken evenmin. Het hof zal daarvan ook uitgaan. Gelet op wat het hof is gebleken over de omvang van het geschil tussen partijen heeft SFT voldoende aannemelijk gemaakt dat de kosten van het onderzoek bij werkgever meer hebben bedragen dan gemiddeld het geval is. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat uit de door SFT verstrekte gegevens volgt dat in ongeveer de helft van de onderzoeken wordt vastgesteld dat de administratie op orde is. Slechts in een klein deel wordt een juridische procedure gevoerd. Aannemelijk is dat de kosten van een onderzoek in een dergelijk dossier aanzienlijk hoger zijn dan in andere dossiers. Dat door dergelijke dossiers de gemiddelde kosten stijgen, betekent – anders dan werkgever meent – niet dat ook voor een dergelijk dossier kan worden uitgegaan van de gemiddelde kosten. Al met al acht het hof een bedrag van € 10.000 aan kosten gerechtvaardigd. Aldus is de ondergrens voor matiging € 20.000. Het hof heeft echter in het tussenarrest van 15 juli 2014 ook overwogen dat de boete niet noodzakelijkerwijs tot de werkelijke kosten en de immateriële schadevergoeding van cao-partijen gematigd hoeft te worden. Het boetebeding beoogt ook een prikkel te zijn voor nakoming van de cao-verplichtingen, zulks in het belang van werknemers in de branche en ter voorkoming van concurrentievervalsing. Gelet op de hardnekkige weigering van werkgever om aan haar verplichtingen ten opzichte van SFT te voldoen en het uitblijven van ieder begin van medewerking, is het hof van oordeel dat een boete ter hoogte van 2,5 x de meegewogen schadeposten, derhalve € 50.000, alleszins redelijk is. Voor verdergaande matiging ziet het hof geen enkele reden, ook niet met het oog op de gestelde, maar niet onderbouwde, financiële situatie waarin werkgever zou verkeren.