Rechtspraak
ex-werknemers/ABN Amro en Fortis Bank Nederland
(Cassatieberoep van AR 2013-0932.) Ex-werknemers van (de rechtsvoorganger van) ABN AMRO waren tot 1 januari 2006 collectief verzekerd voor ziektekosten waarbij de werkgever voor 60% in de kosten bijdroeg. Op 1 januari 2006 is de Zorgverzekeringswet (Zvw) van kracht geworden. Bij brief van 28 juni 2006 heeft Fortis Bank Nederland (FBN) aan alle post-actieven meegedeeld dat de regeling werkgeversbijdrage ziektekostenverzekering geleidelijk zou worden afgebouwd. Voor personen van 65 jaar en ouder zou de regeling in vier jaar afgebouwd worden van 100% naar nul. In 2007 is een verbeterde overgangsregeling voorgesteld die door ruim 92% van de post-actieven is geaccepteerd. In dit geding vorderen ex-werknemers de bank te veroordelen tot voortzetting van de regeling ter zake van de bijdrage in de ziektekosten na 1 januari 2006. Zij leggen aan hun vordering ten grondslag dat de bank contractueel gehouden is de regeling levenslang en onvoorwaardelijk op hen toe te passen. Volgens hen heeft de bank zonder hun instemming en zonder gegronde reden de werkgeversbijdrage eenzijdig beëindigd, heeft zij zich de bevoegdheid tot zodanige eenzijdige wijziging niet voorbehouden en had zij niet een zodanig zwaarwegend belang dat zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid tot eenzijdige beëindiging kon besluiten. Zowel de kantonrechter als het hof heeft de vorderingen van de ex-werknemers afgewezen. Het hof overwoog daartoe (onder meer) dat werknemers niet het gerechtvaardigd vertrouwen toekwam op een onvoorwaardelijk en levenslange aanspraak op bijdrage in de ziektekostenverzekering.
De Hoge Raad oordeelt als volgt. Voor zover de ex-werknemers klagen dat het hof zou hebben geoordeeld dat tussen de bank en ex-werknemers geen verbintenis tot stand is gekomen (stilzwijgend dan wel op grond van de redelijkheid en billijkheid), mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft een rechtsbetrekking tussen partijen erkend, maar geoordeeld dat er geen onvoorwaardelijke en levenslange aanspraak op bijdrage in de ziektekosten is ontstaan. Het hof heeft verder geoordeeld dat de aanspraak van oud-werknemers op een bijdrage in de kosten van een ziektekostenverzekering betrekking had op de kosten die voortvloeiden uit deelname aan de collectieve particuliere ziektekostenverzekering, die in het tot 1 januari 2006 geldende stelsel door de bank werd georganiseerd. Het hof heeft verder geoordeeld dat het verstrekken van een bijdrage aan oud-werknemers was gekoppeld aan de aanspraak op een bijdrage van actieve werknemers overeenkomstig de toepasselijke cao en dat dit voor de oud-werknemers voldoende duidelijk is geweest. Het daarop voortbouwende oordeel houdt in dat de oud-werknemers niet erop mochten vertrouwen dat de bank haar bijdrage aan de kosten van een ziektekostenverzekering zou voortzetten in het nieuwe stelsel, waarin geen sprake meer was van een aanspraak van actieve werknemers krachtens de cao op een bijdrage in de kosten van een collectieve ziektekostenverzekering, en dat dus niet op die grond een daartoe strekkende verbintenis jegens de oud-werknemers is ontstaan. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de in het onderdeel genoemde omstandigheden. De enkele omstandigheid dat de oud-werknemers kosten dienden te blijven maken voor een ziektekostenverzekering brengt immers niet mee dat de bank deze kosten voor haar rekening moet blijven nemen. Het gebruik door de bank van woorden als ‘stopzetten’, ‘opzeggen’, ‘afschaffen’ en ‘afbouwen’ van de regeling houdt naar het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof geen erkenning van de bank in dat zij bestaande rechten van de oud-werknemers eenzijdig heeft beëindigd. Bij het voorgaande verdient opmerking, aldus de Hoge Raad, dat, zoals in de inleiding op het cassatiemiddel en in de conclusie van de advocaat-generaal is vermeld, in diverse uitspraken van rechtbanken en hoven een ander oordeel is bereikt dan het oordeel van het hof in de onderhavige zaak en dat een tegen een dergelijke uitspraak, die eveneens betrekking had op de onderhavige regeling, gericht cassatieberoep eerder is verworpen (HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8363). Dit hangt samen met de uiteenlopende wijzen van procederen in de diverse zaken en met een verschillende waardering van de feiten en omstandigheden door de feitenrechters, die in geval van cassatieberoep slechts beperkt toetsbaar is.