Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 21 januari 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:552
werknemer/Beuk Horeca B.V.
Werknemer is sinds 1998 in dienst van Beuk Horeca als chef. Op 21 maart 2008 is werknemer intern overgeplaatst. Werknemer heeft zich die dag ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft vastgesteld dat werknemer psychische klachten heeft. Op dinsdag 27 mei 2008 is werknemer op staande voet ontslagen, omdat de directeur van Beuk Horeca in een telefoongesprek door werknemer is bedreigd, althans zich bedreigd gevoeld heeft. De kantonrechter heeft op 15 juli 2009 geoordeeld dat het gegeven ontslag geen stand kon houden. Op 30 november 2010 heeft het Gerechtshof Amsterdam dit vonnis bekrachtigd. Na het veroordelend vonnis heeft Beuk Horeca het (achterstallig) loon betaald en de verzuimbegeleiding hervat. De loondoorbetaling is na 104 weken gestopt. Er is geen formele procedure gevoerd, gericht op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zodat de arbeidsrelatie formeel nog bestaat. Werknemer vordert een verklaring voor recht, inhoudende dat Beuk Horeca aansprakelijk is voor alle schade die voortvloeit en nog zal voortvloeien uit de op non-actiefstelling, het onterecht gegeven ontslag en de onvoldoende re-integratie-inspanningen van Beuk Horeca. Voorts vordert hij betaling van € 45.654,85 ter zake van inkomstenderving en € 8.000 ter zake van immateriële schade. Werknemer grondt de aansprakelijkheid op de arbeidsovereenkomst dan wel een onrechtmatige daad van Beuk Horeca.
De kantonrechter oordeelt als volgt. In de kern verwijt werknemer Beuk Horeca gedragingen binnen de arbeidsovereenkomst, alsmede het onterecht gegeven ontslag op staande voet, waardoor bij werknemer tot op heden voortdurende psychische klachten zijn ontstaan. Met Beuk Horeca gaat de kantonrechter ervan uit dat werknemer heeft beoogd de vordering in te stellen op grond van artikel 7:611 BW. Dit artikel legt op de werkgever de verplichting om zich als goed werkgever te gedragen. Zowel de kantonrechter als het hof hebben in de loonvordering, na het beluisteren van de opname van dit telefoongesprek, geoordeeld dat werknemer daarin niet bedreigend overkwam en dat er geen reden was om hem op staande voet te ontslaan. Beuk Horeca was bekend met de psychische klachten die werknemer inmiddels ontwikkeld had. De degradatie en het ontslag op staande voet kunnen noch naar inhoud noch naar de wijze van totstandkoming als zorgvuldig worden gezien. Daarnaast is Beuk Horeca tekortgeschoten in de re-integratieverplichtingen. Deze elkaar opvolgende onzorgvuldige gedragingen van Beuk Horeca rechtvaardigen een schadevergoeding op grond van schending van artikel 7:611 BW.
Enige psychische decompensatie bij de degradatie was te voorzien. Door het onterechte ontslag op staande voet was verdere en ernstigere decompensatie eveneens te verwachten. De aard van de overtreden norm rechtvaardigt in het licht van de voorzienbare schade slechts toerekening van een beperkt deel van de schade en niet de gehele. Het niet correct naleven van de re-integratieverplichtingen (tot aan het vonnis van de rechtbank) maakt wel dat toerekening over een ruimere periode plaats moet vinden. De totale periode waarover toerekening van inkomensschade kan plaatsvinden stelt de kantonrechter op vier jaar. Nog ruimere toerekening is niet op zijn plaats, ook omdat uit de rapportages van behandelend psychiater volgt dat het tijdens de behandeling aanvankelijk vooral over het probleem met Beuk Horeca ging, maar dat er ook andere stressoren waren, zoals huisvestingsproblemen en familiale omstandigheden. Bij de toekenning van de aangevraagde WIA-uitkering was het uitgangspunt dat een meer dan geringe kans op herstel bestond, hetgeen ook iets zegt over de voorzienbaarheid van de schade en de mate waarin toerekening kan plaatsvinden. Alles afwegende wordt de materiële schade becijferd over een periode van vier jaar aan het handelen van Beuk Horeca toegerekend. Daarnaast wordt een bedrag van € 5.000 aan immateriële schade toegewezen. Voor wat betreft de materiele schade moet uitgegaan worden van het verschil tussen het inkomen dat werknemer verdiende en het inkomen dat werknemer feitelijk gegenereerd heeft. De zaak wordt aangehouden, zodat partijen zich kunnen uitlaten over de inkomensschade van werknemer.