Rechtspraak
werkneemster/werkgeefster
Werkneemster is vanaf 10 december 2012 tot en met 1 juli 2014 in dienst geweest in de functie van Buyer Fashion & Linnengoed. In de arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen, dat tot een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst van toepassing is. Partijen hebben de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd. Overeengekomen is dat het concurrentiebeding met betrekking tot (onder andere) X onverkort van kracht zal blijven. Nadat werkneemster heeft aangegeven in dienst te kunnen treden bij X en werkgeefster heeft gevraagd het concurrentiebeding met betrekking tot X niet te handhaven, heeft werkgeefster te kennen gegeven dat werkneemster aan het concurrentiebeding zal worden gehouden. Werkneemster vordert schorsing van het concurrentiebeding.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Duidelijk is dat werkneemster belang heeft bij de door haar voorgestelde beperking van het concurrentiebeding. Terzijdestelling van dit beding stelt haar in staat in dienst te treden bij X in een aantrekkelijke functie met goede carrièreperspectieven. Dat dit voor haar valt te prefereren boven haar huidige situatie – zonder baan met een WW-uitkering –, staat buiten kijf. Daartegenover staat echter het belang van werkgeefster bij handhaving van dit beding. Dit belang ziet op de wens van werkgeefster om kennis over het volgens werkgeefster unieke inkoopproces niet bij concurrenten als X terecht te laten komen. Dit belang wordt niet in afdoende mate beschermd door het eveneens op werkneemster rustende geheimhoudingsbeding, omdat naleving van dit beding niet goed valt te controleren. De betreffende kennis ziet anders dan werkneemster lijkt te veronderstellen niet op de identiteit van de leveranciers en de soort en hoeveelheden van de door werkgeefster ingekochte goederen of over bedrijfsmatige of financiële cijfers van werkgeefster. Het gaat er werkgeefster, blijkens de door haar ter zitting gegeven toelichting, die door werkneemster niet gemotiveerd is weersproken, op de inhoud van de samenwerking tussen werkgeefster en haar leveranciers, op de wijze waarop werkgeefster haar leveranciers aan zich heeft verbonden en de manier waarop werkgeefster daardoor gunstige marges voor zichzelf weet te behalen. Niet weersproken is dat werkneemster kennis hierover heeft opgedaan gedurende haar dienstverband. Er is onvoldoende aanleiding te veronderstellen dat een eventuele bodemrechter het concurrentiebeding, dat in tijdsduur is beperkt tot één jaar na indiensttreding en bij nadere overeenkomst verder is verduidelijkt, zal vernietigen. De door werkgeefster in reconventie gevorderde naleving van het concurrentiebeding wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang. Niet aannemelijk is geworden dat werkneemster het concurrentiebeding heeft overtreden of voornemens is (geweest) dat te doen.