Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 17 februari 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:483
RPS Advies B.V./Intercession Reinigingsdiensten B.V.
In het kader van een bouwproject is Intercession gevraagd bepaalde schoonmaakwerkzaamheden te verrichten. Alvorens daartoe over te gaan heeft Intercession RPS Advies gevraagd een Taak-Risico Analyse (hierna: TRA) op de betreffende bouwplaats uit te voeren. Tijdens de werkzaamheden is uitzendkracht X door een gipsplatenplafond gezakt en 12 meter naar beneden gevallen. In de daaropvolgende artikel 7:658 lid 4 BW-procedure is Intercession als materiële werkgever aansprakelijk gehouden voor de schade van X. In de onderhavige procedure vordert Intercession, kort gezegd, om RPS in vrijwaring hoofdelijk te veroordelen om datgene te voldoen, waartoe Intercession in de procedure tegen X zal worden veroordeeld. Aan deze vordering heeft Intercession, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. RPS heeft in de door haar opgemaakte TRA Intercession onjuist geadviseerd over de aan de schoonmaakwerkzaamheden verbonden risico’s en de te nemen veiligheidsmaatregelen, meer in het bijzonder de aanwezigheid van niet-dragende gipsplaten in een plafond en is daardoor tekortgeschoten in de nakoming van de tussen RPS en haar gesloten overeenkomst. Op grond van artikel 6:74 BW is RPS gehouden om de schade die RPS daardoor lijdt te vergoeden. De kantonrechter heeft RPS voor 50% aansprakelijk geoordeeld wegens onjuiste, althans onvolledige, advisering.
Het hof oordeelt als volgt. Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 de werkgever dient te zorgen voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers inzake alle met de arbeid verbonden aspecten. Op grond van artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet dient een onderneming de gevaren en risico’s in de werkomgeving in kaart te brengen. Hiertoe wordt veelal een zogenaamde risico-inventarisatie en -evaluatie (RIE) opgemaakt door daartoe (vereist) VCA gekwalificeerd personeel. Bij zowel routinematige als bij projectmatige werkzaamheden bestaan er gevaren die vaak niet tijdig worden onderkend. Een TRA beoogt op een gestructureerde manier tijdig de risico’s van met name projectmatige werkzaamheden te onderkennen. In die zin is een TRA veelal gedetailleerder van aard dan een meer algemeen geformuleerde RIE, omdat de TRA is toegesneden op de specifieke risico’s die samenhangen met een bepaald werk, zoals terecht door RPS wordt opgemerkt. Het opstellen van een TRA geschiedt derhalve vooral daar waar risicovolle taken aanwezig zijn. Het werken op hoogte valt daar uiteraard ook onder. RPS dient als opdrachtnemer de werkzaamheden te verrichten zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot verwacht mag worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden en het opstellen van een TRA dient de door Intercession aan RPS verstrekte opdracht naar het oordeel van het hof mede te worden bezien in het licht van de door een werkgever, in dit geval Intercession, te betrachten zorg voor de gezondheid van zijn werknemers bij de uitvoering van de aan hen op te dragen werkzaamheden. Aan deze zorgplicht moeten op grond van artikel 7:658 BW hoge eisen worden gesteld. De mededeling in de TRA dat op de houten plafonds kan worden gelopen is mogelijk op zich niet onjuist (immers daar waar zij van hout waren, was dat ook mogelijk), maar houdt ofwel tevens de onjuiste suggestie in dat de plafond(s) geheel van hout waren, ofwel geeft er blijk van dat RPS voor die (gedeelten) van de plafonds die niet van hout waren in het geheel niet heeft gewezen op het gevaar van doorzakken, terwijl dat gezien de aan haar verstrekte opdracht wel van haar kon worden verlangd.
Concluderend oordeelt het hof als volgt. Bij de noodzaak om werknemers zo veel mogelijk te beschermen tegen ongevallen op de werkvloer speelt een TRA een cruciale rol. Dat geldt zeker in situaties waarin de werkzaamheden in een voor die werknemer onbekende omgeving dienen te geschieden. De wetgever heeft in de arbowetgeving daarbij een belangrijke rol toebedeeld aan de met de inventarisatie van de risico’s voor de arbeid belaste deskundige als bedoeld in artikel 13 en 14 van de Arbeidsomstandighedenwet. In een situatie waarin de werkgever een beroep doet op een derde (deskundige) om die risico’s in beeld te brengen, wordt de onderlinge relatie tussen die werkgever en die derde deskundige daarom (mede) beheerst door de ratio van de Arbeidsomstandighedenwet op dit punt. Wanneer derhalve een risico niet of onvoldoende in beeld is gebracht, ligt het voor de hand om de gevolgen van een dergelijk nalaten in de eerste plaats af te wentelen op die deskundige, die als redelijk handelend en redelijk zorgvuldige adviseur, gezien de aan haar verstrekte opdracht, een zorgniveau dient te betrachten als bedoeld in artikel 7:658 BW.
Dat brengt in dit geval met zich dat in de onderlinge verhouding tussen Intercession en RPS, RPS niet alleen is aan te merken als de hoofdaansprakelijke, maar ook gehouden is om twee derde deel van de door X geleden en nog te lijden schade voor haar rekening te nemen. Voorts valt niet in te zien waarom de redelijkheid en billijkheid eraan in de weg zouden staan dat RPS een belangrijk stuk van de schade dient te dragen, terwijl met de aan haar verstrekte opdracht ‘slechts’ een bedrag is gemoeid van minder dan € 2000. Niet alleen is niet dadelijk aannemelijk dat het bedrag aan schade het door RPS in haar voorwaarden genoemde (maximum)bedrag van 1 miljoen euro zal overstijgen, maar bovendien heeft te gelden dat RPS zich presenteert als een organisatie die op het terrein van het inschatten van risico’s in de werkomgeving expertise heeft en juist daarom daartoe in dit geval door Intercession is benaderd. Het kan dan niet zo zijn dat wanneer zij juist daarbij een misslag begaat niet zij maar de opdrachtgever met de schade zou moeten blijven zitten. Evenmin staat de omstandigheid dat tegenover de omvangrijke schade als door X geleden (en door Intercession jegens haar te vergoeden) slechts een geringe tegenprestatie voor de door RPS verrichte werkzaamheden aan toerekening in de weg. Op grond van voornoemde omstandigheden is er evenmin aanleiding voor matiging van de vordering.