Naar boven ↑

Rechtspraak

Intercession Reinigingsdiensten B.V./X Bouw B.V. en de gemeente Heerlen
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 17 februari 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:537

Intercession Reinigingsdiensten B.V./X Bouw B.V. en de gemeente Heerlen

Hoofdaannemer en eigenaar/bezitter bouwobject zijn niet aansprakelijk voor schade aan ingeleende schoonmaker van onderaannemer.

(Zie ook AR 2014-0173.) X Bouw B.V. en Intercession Reinigingsdiensten hebben een schriftelijke overeenkomst van opdracht in onderaanneming gesloten ter uitvoering van schoonmaakwerkzaamheden aan een in eigendom van de gemeente Heerlen zijnd theater. Op grond van de overeenkomst tussen X Bouw BV en Intercession diende voorafgaand aan de schoonmaakwerkzaamheden een Taak-Risico Analyse (hierna: TRA) te worden uitgevoerd, hetgeen is ondergebracht bij RPS Advies (zie uitvoerig AR 2014-0173). Intercession heeft naast eigen personeel ook werknemers van Doen Uitzendbureau ingeschakeld op dit project. Uitzendkracht X is tijdens de uitvoering van de werkzaamheden door een gipsplatenplafond gezakt en 12 meter naar beneden gevallen. Intercession is aansprakelijk gesteld voor de schade ex artikel 7:658 lid 4 BW. In de onderhavige procedure vordert Intercession in eerste aanleg om (naast RPS) X Bouw en de gemeente in vrijwaring hoofdelijk te veroordelen om te voldoen al hetgeen waartoe Intercession in de procedure tegen X zal worden veroordeeld, daaronder begrepen de in die procedure gemaakte en nog te maken proceskosten, alsmede veroordeling in de kosten van de procedure in vrijwaring. X Bouw is aansprakelijk doordat zij de TRA heeft goedgekeurd. De gemeente is als eigenaresse jegens Intercession aansprakelijk op grond van artikel 6:174 BW, omdat het plafond van het theater niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en waardoor een gevaar voor personen en zaken is ontstaan, welk gevaar zich in het onderhavig geval heeft verwezenlijkt. De werkplek was immers op hoogte en niet voldoende stabiel en stevig om het gewicht van X te dragen. Aldus is sprake van een gebrekkige opstal. De kantonrechter heeft de vorderingen van Intercession jegens X Bouw respectievelijk jegens de gemeente Heerlen afgewezen. X Bouw heeft in de contractuele afspraken met Intercession zich gevrijwaard van deze aansprakelijkheid. De gemeente valt in casu geen verwijt te maken, daar zij op de professionaliteit van de opdrachtnemers mocht vertrouwen.

Het hof oordeelt als volgt. Naar het oordeel van het hof dient deze bepaling zo te worden verstaan dat ingeval Intercession jegens X Bouw tekortschiet in de nakoming van de overeenkomst (lees: het verzorgen van een voldoende veiligheidsniveau) Intercession de daaruit voortvloeiende eigen schade niet op X Bouw kan verhalen, terwijl zij tevens garant dient te staan voor de daaruit voor derden voortvloeiende schade. Die situatie doet zich hier voor. Naar het hof verder begrijpt, bedoelt Intercession echter tevens te betogen dat het niet nakomen van haar verplichtingen op dit punt zijn oorzaak vindt in een handelen van X Bouw, die nalatig is gebleven haar te wijzen op een gevaarlijke situatie. Dit betoog valt wellicht te verstaan als een beroep op het bepaalde in artikel 6:248 lid 2 BW, te weten dat een beroep op de vrijwaringsclausule in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in de relatie tussen partijen. Dat betoog, aldus verstaan, dient niettemin te falen.

Voor wat betreft de aansprakelijkheid van de gemeente, oordeelt het hof als volgt. Op grond van artikel 6:174 lid 1 BW is de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, aansprakelijk wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, tenzij aansprakelijkheid zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van het ontstaan zou hebben gekend. Een nadere duiding van dit artikel valt te lezen in de uitspraak van de Hoge Raad van 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236. Bij het antwoord op de vraag of de opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, komt het derhalve aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. Waar de opstal al niet als gebrekkig zou mogen worden aangemerkt gelet op het te verwachten gebruik, valt moeilijk een verantwoordelijkheid aan te nemen voor de gemeente in die zin dat deze tijdens werkzaamheden, die zij heeft opgedragen aan een aannemer en waarbij het theater voor langere tijd niet in gebruik is voor het publiek, er rekening mee moet houden dat er op andere plaatsen dan gebruikelijk voor het bespelen van een theater (en dan ook nog) onveilig wordt gewerkt, zodat zij voor de gevolgen ervan zou moeten waarschuwen. Dat is veeleer een verantwoordelijkheid van de aannemer, die mogelijk onveilige situaties in de bouw creëert, en daarop dient in te spelen, maar bovendien al dan niet direct zeggenschap heeft over de werknemers op de bouwplaats. De grieven falen.