Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 21 januari 2015
ECLI:NL:RBNHO:2015:1650
werknemer/De Toekomst Schilderwerken B.V.
Werknemer is sinds 2004 in dienst van De Toekomst, laatstelijk in de functie van all-round schilder. Op de arbeidsovereenkomst is de algemeen verbindend verklaarde CAO voor het Schilders-, Afwerkings- en Glaszetbedrijf van toepassing. Op 30 september 2014 heeft werknemer van De Toekomst schriftelijk een officiƫle waarschuwing gekregen wegens ongeoorloofd telefoongebruik. In een gesprek op 13 oktober 2014 is kritiek op de werkhouding van werknemer geuit en is werknemer de suggestie gedaan elders te gaan werken. Op 14 oktober 2014 heeft werknemer zich ziek gemeld. De Toekomst heeft aangegeven de ziekmelding niet te accepteren en heeft per 15 oktober 2014 de loondoorbetaling gestopt. Op 15 oktober 2014 heeft de bedrijfsarts vastgesteld dat werknemer door ziekte is uitgevallen. Kern van het geschil betreft de vraag of werknemer vanaf 15 oktober 2014 recht heeft op loondoorbetaling.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer was niet gehouden een verklaring te overleggen van een deskundige van het UWV. Daargelaten de vraag of deze op artikel 7:629a BW steunende verplichting wel geldt in de voorlopigevoorzieningsprocedure, kan het overleggen van de verklaring niet van werknemer worden gevergd. Het is immers de eigen bedrijfsarts van De Toekomst die als medisch oordeel heeft gegeven dat werknemer niet in staat is tot het verrichten van zijn werk wegens ziekte of gebrek. Werknemer heeft dan ook helemaal geen second opinion nodig. Indien De Toekomst het oordeel van de eigen bedrijfsarts in twijfel trekt, is het aan De Toekomst om daarvoor een medische onderbouwing te verkrijgen. Daarvoor heeft de wetgever de secondopinionprocedure ook opengesteld voor de werkgever die twijfelt aan een oordeel van de eigen bedrijfsarts. Dat De Toekomst dit oordeel niet heeft gevraagd omdat zij geen vertrouwen heeft in het UWV en liever een eigen deskundige wil inschakelen doet aan dit alles niet af. In het kader van deze procedure wordt dan ook vooralsnog uitgegaan van voortdurende arbeidsongeschiktheid van werknemer. Niet aannemelijk is geworden dat werknemer zich in het telefoongesprek van 17 oktober 2014 heeft beter gemeld. Uit hetgeen op de zitting naar voren is gekomen, leidt de kantonrechter af dat werknemer wel wilde hervatten maar alleen in het kader van diens re-integratie. Omdat De Toekomst daar niet akkoord mee is gegaan, is het niet tot een werkhervatting gekomen. Van een onherroepelijke betermelding is al met al vooralsnog niet gebleken. Met De Toekomst is de kantonrechter van oordeel dat werknemer zich had moeten melden bij de bedrijfsarts op 23 oktober 2014. Dit is echter geen reden om geen loon te betalen nu gesteld noch gebleken is dat De Toekomst een beroep heeft gedaan op haar bevoegdheid over te gaan tot opschorten van de loonbetaling. Volgt toewijzing van de loonvordering.