Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 6 maart 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:1348
ondernemingsraad Rijkswaterstaat Verkeer- en Watermanagement/Staat der Nederlanden, in het bijzonder Rijkswaterstaat Verkeer en Watermanagement
Rijkswaterstaat (RWS) is een onderdeel van het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Een van de organisatieonderdelen van Rijkswaterstaat is RVWM (Rijkswaterstaat Verkeer en Watermanagement). Binnen RVWM worden normroosters (jaarroosters) en maandroosters opgesteld. Tussen de OR en het bestuur van RVWM is op 11 juni 2013 een instemmingsprocedure met betrekking tot de normroosters overeengekomen. In november 2014 heeft het bestuur 71 normroosters voor 2015 met een toelichting op de totstandkoming ervan aan de OR aangeboden, zonder de OR om instemming te verzoeken. De OR verzoekt de kantonrechter voor recht te verklaren dat de OR terecht een beroep heeft gedaan op de nietigheid van het door RVWM rond 21 november 2014 of later genomen besluit tot het vaststellen van de jaarroosters en RVWM op te dragen om genoemde besluiten in te trekken en op basis van de oude roosters de werkzaamheden te continueren. RVWM verzoekt (in een andere procedure die tegelijkertijd wordt behandeld) de kantonrechter primair te verklaren dat de OR ten onrechte een beroep op de nietigheid van het besluit tot het vaststellen van de jaarroosters 2015 heeft gedaan (ex art. 27 lid 6 jo. lid 5 WOR) en subsidiair, voor zover vereist toestemming te verlenen om het besluit te nemen (ex art. 27 lid 4 WOR).
De kantonrechter oordeelt als volgt. Van het in de ATW gemaakte onderscheid tussen een arbeids- en rusttijdenregeling en een arbeids- en rusttijdenpatroon valt geen zelfstandig argument te ontlenen voor dan wel tegen het kwalificeren van het besluit als een instemmingsplichtig besluit als bedoeld in artikel 27 lid 1 onder b WOR. Zoals door de OR terecht is aangevoerd, is immers blijkens de parlementaire geschiedenis met de gewijzigde terminologie op dit punt geen inhoudelijke wijziging van de ATW en de WOR beoogd. Beoordeeld moet worden of het bij de jaarroosters 2015 gaat om vaststelling of wijziging van (in de bewoordingen van de wetgever in de toelichting bij het voorstel tot wijziging van de ATW) ‘een duurzame regeling van werk- en rusttijden, op basis waarvan een arbeids- en rusttijdenpatroon voor een werknemer wordt vastgelegd, dat wil zeggen het reguliere patroon van arbeid en rust dat voor de werknemer of een groep van werknemers van toepassing is (ook wel aangeduid als het werkrooster, het dienstrooster e.d.)’. Bij die beoordeling moet niet naar de letter maar in de eerste plaats naar de bedoeling van de regeling worden gekeken. Volgens de Leidraad is het normrooster bedoeld als ‘overzicht waarbij de beschikbare capaciteit zo goed mogelijk wordt gekoppeld aan de behoefte’ en dient het ‘als basis voor het maandelijks te communiceren rooster’. Gezien de aldus geformuleerde bedoeling van het jaarrooster en de duur van een jaar waarvoor het wordt vastgesteld, is de kantonrechter met de OR en anders dan RVWM van oordeel dat de normroosters – anders dan de daarop gebaseerde maandroosters – een arbeids- en rusttijdenregeling als bedoeld in artikel 27 lid 1 onder b WOR betreffen. Voorts gaat het bij een normrooster niet om een incidentele situatie, hetgeen aan de kwalificatie als arbeids- en rusttijdenregeling in de weg zou staan, maar om een duurzame regeling. Dat de Leidraad zelf als een arbeids- en rusttijdenregeling als bedoeld in artikel 27 lid 1 onder b van de WOR moet worden aangemerkt, staat anders dan RVWM kennelijk meent, evenmin aan zodanige kwalificatie van de normroosters in de weg. Met de OR is de kantonrechter van oordeel dat hier met de Leidraad en de normroosters, waarvoor in de Leidraad uitgangspunten zijn geformuleerd, sprake is van een ‘gefaseerde besluitvorming’ met betrekking tot de arbeids- en rusttijdenregeling, waarbij in beide fasen en dus ook bij vaststelling en wijziging van de normroosters sprake is van een instemmingsplichtig besluit als bedoeld in artikel 27 lid 1 onder b WOR. Voorts kan de Leidraad niet worden gekwalificeerd als een regeling als bedoeld in artikel 27 lid 3 van de WOR, waarin ‘de betrokken aangelegenheid voor de onderneming (lees: RVWM) reeds inhoudelijk is geregeld in een collectieve arbeidsovereenkomst of een regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan’ en waardoor het in het eerste lid van artikel 27 WOR bedoelde instemmingsvereiste niet zou gelden.
Ten aanzien van de voorzieningen ex artikel 27 lid 6 WOR wordt het volgende overwogen. Het stelsel van de WOR brengt mee dat de ondernemingsraad wel een besluit als bedoeld in artikel 27 WOR kan tegenhouden, maar niet de ondernemer kan verplichten om in plaats daarvan een bepaald besluit te nemen. Reeds om die reden kan in deze procedure het verzoek van de OR om RVWM op te dragen om op basis van de oude roosters de werkzaamheden te continueren niet worden toegewezen. Bovendien heeft de OR haar verzoek op dit punt niet voldoende onderbouwd. In het verzoek van de OR ligt voorts besloten het verzoek om aan RVWM een verbod als bedoeld in artikel 27 lid 6 van de WOR op het verrichten van (verdere) handelingen die strekken tot uitvoering of toepassing van het nietige besluit op te leggen. Nu het besluit niet eerst ex artikel 27 WOR ter instemming aan de OR is voorgelegd, zal dit alsnog moeten plaatsvinden en zal in dat kader (nader) overleg moeten worden gevoerd tussen de OR en RVWM. Inmiddels is ruim twee maanden feitelijk uitvoering gegeven aan het besluit en gewerkt met de op de normroosters 2015 gebaseerde maandroosters. Nu de OR niet concreet heeft gesteld dat zich na 1 januari 2015 zwaarwegende problemen bij de toepassing van de maandroosters hebben voorgedaan is er geen aanleiding om op dit moment, nog voordat het overleg tussen partijen is afgerond, een verbod ex artikel 27 lid 6 WOR aan RVWM op te leggen. Dit zal anders kunnen zijn indien het overleg tussen partijen ex artikel 27 WOR niet tot instemming van de OR zal leiden, in welk geval dit verzoek opnieuw zal moeten worden beoordeeld. Om die reden en mede gezien het oordeel in kort geding (zie AR 2015-0218 waarin is geoordeeld dat RVWM verplicht is om het besluit tot vaststelling van de normroosters 2015 binnen een week (alsnog) ex art. 27 WOR ter instemming aan de OR voor te leggen), wordt de beslissing op dit onderdeel van het verzoek van de OR aangehouden. Met betrekking tot het (voorwaardelijke) subsidiaire verzoek van RVWM, tot het verlenen van toestemming ex artikel 27 lid 4 WOR, wordt geoordeeld dat het feit dat het besluit (vooralsnog) door RVWM niet aan de OR ter instemming is voorgelegd, aan de inhoudelijke behandeling van het verzoek tot vervangende toestemming in de weg staat en dit verzoek van RVWM dus prematuur is. Het voorgaande zou op dit moment tot niet-ontvankelijkheid van RVWM moeten leiden, zij het dat dit anders wordt indien het overleg tussen partijen ex artikel 27 WOR niet tot instemming van de OR mocht leiden. Om die reden en mede gezien de voorziening die in de kortgedingprocedure wordt getroffen (zie AR 2015-0218), wordt de beslissing op dit verzoek van RVWM aangehouden. Mocht de OR haar instemming onthouden, dan is RVWM ontvankelijk in haar verzoek en zal alsnog een inhoudelijke behandeling daarvan plaatsvinden.