Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 6 maart 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:1349
ondernemingsraad Rijkswaterstaat Verkeer- en Watermanagement/Staat der Nederlanden, in het bijzonder Rijkswaterstaat Verkeer en Watermanagement
Rijkswaterstaat (RWS) is een onderdeel van het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Een van de organisatieonderdelen van Rijkswaterstaat is RVWM (Rijkswaterstaat Verkeer en Watermanagement). Binnen RVWM worden normroosters (jaarroosters) en maandroosters opgesteld. Tussen de OR en het bestuur van RVWM is op 11 juni 2013 een instemmingsprocedure met betrekking tot de normroosters overeengekomen. In november 2014 heeft het bestuur 71 normroosters voor 2015 met een toelichting op de totstandkoming ervan aan de OR aangeboden, zonder de OR om instemming te verzoeken. De OR vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening RVWM zal gelasten om (een deel van) de normjaarroosters, zoals die rond 21 november 2014 of later zijn vastgesteld en in SAP zijn gezet en het besluit tot vaststellen van de fijnroosters voor de maand januari 2015, zoals dat rond 26 november 2014 is vastgesteld, op te schorten en daar geen verdere uitvoering aan te geven, een en ander tot in de bodemprocedure een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk oordeel voorhanden is dan wel partijen in overleg tot een vergelijk zijn gekomen, dan wel dat de voorzieningenrechter een andere redelijke voorziening zal treffen.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. In de met dit kort geding samenhangende verzoekschriftprocedures heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat de OR terecht een beroep heeft gedaan op de nietigheid van het door RVWM rond 21 november 2014 of later genomen besluit tot het vaststellen van de jaarroosters 2015, zoals in SAP gezet (zie AR 2015-0217). Gelijk de kantonrechter in de verzoekschriftprocedure heeft overwogen, zal het nietig verklaarde besluit inzake de normroosters 2015 wel alsnog als voorgenomen besluit ex artikel 27 WOR aan de OR ter instemming moeten worden voorgelegd en zal in dat kader nader overleg dienen plaats te vinden tussen RVWM en de OR. Gegeven het gerechtvaardigde belang dat de OR erbij heeft om dit overleg op zo kort mogelijke termijn te kunnen voeren, ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding voor toewijzing van de subsidiaire vordering van de OR, in die zin dat RVWM zal worden verplicht om het besluit binnen een week na de datum van dit vonnis ex artikel 27 WOR ter instemming aan de OR voor te leggen.