Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 27 februari 2015
ECLI:NL:RBROT:2015:1307
werknemer/Nidera Handelscompagnie B.V.
Op 3 oktober 2014 is door de kantonrechter vonnis gewezen waarin Nidera is veroordeeld om voor 14 november 2014 bepaalde documenten aan werknemer ter beschikking te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Voorts is bepaald dat werknemer in de gelegenheid zal worden gesteld om op basis van de aan hem ter beschikking gestelde stukken een nadere berekening van de door hem gevorderde bonus te maken en deze in het geding te brengen. Nidera verzoekt verlof voor het instellen van tussentijds appel.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Nidera heeft in de eerste plaats aangevoerd dat zij het niet eens is met de in het tussenvonnis gegeven uitleg van artikel 6 van de arbeidsovereenkomst. Hoewel de uitleg van deze bepaling onmiskenbaar van belang is voor de verdere beoordeling van de zaak, is onvoldoende gebleken dat deze uitleg een zodanige controversiële rechtsvraag tussen partijen betreft dat dit geschilpunt in hoger beroep beslecht zou moeten worden, voordat de zaak in eerste aanleg afgewikkeld zou kunnen worden. Door Nidera is voorts aangevoerd dat de veroordeling tot het ter beschikking stellen van stukken te ruim en onvoldoende concreet geformuleerd is. De kantonrechter overweegt dat met de veroordeling in het tussenvonnis is beoogd te bewerkstelligen dat werknemer de beschikking zou krijgen over de relevante gegevens voor het berekenen van zijn bonus op grond van artikel 6 van de arbeidsovereenkomst. In het dictum is ongelukkigerwijs onvoldoende duidelijkheid verschaft over de bedoelde periode, nu het verschil tussen het boekjaar en kalenderjaar kennelijk tot uitlegproblemen hiervan heeft geleid. Nu nog geen eindvonnis is gewezen, kan de kwestie van eventueel ontbrekende stukken wellicht in onderhavige procedure aan de orde komen, dan wel onderwerp zijn van een executiegeschil, zoals kennelijk intussen aanhangig is gemaakt. Het geschil over de uitleg van de veroordeling van Nidera met betrekking tot de ter beschikking te stellen stukken vormt echter geen aanleiding hoger beroep open te stellen. Van de zijde van Nidera is aangevoerd dat zij vreest voor een fishing expedition, nu werknemer volgens haar geen belang heeft bij de vordering tot het ter beschikking stellen van stukken. Deze door Nidera aangevoerde argumenten zijn reeds behandeld en meegewogen in het tussenvonnis. De vraag in hoeverre werknemer belang heeft bij inzage in de gevorderde stukken kan niet worden aangemerkt als een controversiële rechtsvraag die tussentijds hoger beroep rechtvaardigt. Niet is gebleken dat zich een zodanig restitutierisico voordoet dat een eindvonnis niet kan worden afgewacht. Voor wat betreft het beperken of schorsen van de opgelegde dwangsommen staat voorts de procedure van artikel 611d Rv open. Daarnaast heeft Nidera kennelijk inmiddels in kort geding zekerheidstelling door werknemer gevorderd. De opgelegde dwangsommen geven dan ook geen aanleiding voor tussentijds hoger beroep. Nidera heeft ten slotte aangevoerd dat haar – afgezien van de procedures ex artikel 611d en artikel 438 Rv – geen alternatief ter beschikking staat om bezwaar te maken tegen de in het tussenvonnis genomen beslissingen. Dit is echter het gevolg van het wettelijk systeem dat van een tussenvonnis slechts bij eindvonnis hoger beroep kan worden ingesteld en kan op zichzelf dus geen reden vormen om alsnog hoger beroep van het tussenvonnis open te stellen. Dat werknemer als gevolg hiervan geruime tijd over de door Nidera verstrekte informatie beschikt is juist. Nidera verbindt hier in haar brief van 30 december 2014 echter geen conclusie aan. Voor zover zij vreest voor openbaarmaking van bedrijfsgevoelige informatie, moet ervan uit worden gegaan dat artikel 11 van de arbeidsovereenkomst en de mogelijkheid van artikel 7:619 lid 4 BW hiertegen voldoende bescherming bieden. Het verzoek van Nidera wordt afgewezen.