Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 3 maart 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:1507
werkneemster/Achmea Interne Diensten
Werkneemster is voor 15 uur per week op 1 augustus 2001 in dienst getreden van Achmea Personeel B.V. Op 30 september 2013 heeft werkneemster zich wegens psychische klachten ziek gemeld bij Achmea. De twee kinderen van werkneemster zijn op 2 oktober 2013 om het leven gekomen. Werkneemster is diezelfde dag als verdachte van een daaraan gerelateerd misdrijf in hechtenis genomen. Achmea heeft in december 2013 aan werkneemster bericht dat zij uit coulance het loon zal blijven doorbetalen, maar daartoe niet verplicht is. Per 1 mei 2014 heeft Achmea de loondoorbetaling gestaakt. Werkneemster vordert doorbetaling van loon.
Het hof oordeelt als volgt. Wanneer geen arbeid wordt verricht, is uitgangspunt van het wettelijk stelsel de in artikel 7:627 BW neergelegde regel ‘geen arbeid, geen loon’. In dit geval verhindert het feit dat werkneemster gedetineerd is reeds dat zij werkzaamheden voor Achmea verricht. Met de kantonrechter is het hof voorshands van oordeel dat de detentie van werkneemster als de primaire oorzaak van haar verhindering om te werken heeft te gelden. Zoals de kantonrechter heeft overwogen, wordt door de detentie elke mogelijkheid tot werken fundamenteel geblokkeerd. Het hof is dan ook met de kantonrechter vooralsnog van oordeel dat werkneemster geen aanspraak kan maken op doorbetaling van loon, nu zij primair vanwege haar detentie verhinderd is om werkzaamheden voor Achmea te verrichten. Onder die omstandigheden vormt haar ziekte geen uitzondering op de hoofdregel van artikel 7:627 BW. Feiten of omstandigheden die meebrengen dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de hiervoor genoemde hoofdregel tussen de partijen van toepassing is, zijn gesteld noch gebleken. Overigens heeft werkneemster evenmin toegelicht waarom, zoals zij heeft gesteld, de maatstaven van redelijkheid en billijkheid en de omstandigheden van het geval tot het oordeel zouden moeten leiden dat in dit geval artikel 7:629 BW prevaleert.