Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Halliburton B.V.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 26 februari 2015
ECLI:NL:RBNHO:2015:1839

werknemer/Halliburton B.V.

Werknemer heeft recht op onvoorwaardelijke indexatie van opgebouwde pensioenaanspraken. Toepassing Haviltex-norm.

Werknemer is met ingang van 15 juni 1976 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) Halliburton. Hij is vanaf 1 februari 1977 gaan deelnemen in de bij Halliburton sinds 1 januari 1974 geldende collectieve pensioenregeling. Deze pensioenregeling was ondergebracht bij Zwitserleven en hield een gematigde eindloonregeling in zonder indexatie van de pensioenaanspraken van dienstverlaters en gepensioneerden. In 1994 is de pensioenregeling met instemming van werknemer gewijzigd. In november 2005 heeft Halliburton met instemming van de OR de pensioenregeling met terugwerkende kracht gewijzigd vanaf 1999. Op 2 augustus 2006 heeft een voormalige collega van werknemer, X, wiens dienstverband met Halliburton op 1 mei 2000 was geëindigd, Halliburton in rechte betrokken en onvoorwaardelijke indexatie gevorderd van het door hem bij Halliburton opgebouwde pensioen. In deze zaak heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan (zie AR 2010-0355). Werknemer vordert een verklaring voor recht dat hij, na zijn uitdiensttreding bij Halliburton en wanneer hij pensioen gaat ontvangen, een onvoorwaardelijk recht heeft op indexatie van zijn tot 1 januari 2007 opgebouwde pensioenaanspraken, in de zin dat deze aanspraken jaarlijks dienen te worden aangepast aan de gestegen kosten van levensonderhoud. Hij legt daaraan het volgende ten grondslag. Werknemer heeft de brief van 9 juni 1994 aldus opgevat, dat sprake was van onvoorwaardelijke indexering van de opgebouwde pensioenaanspraken. De Hoge Raad heeft in de procedure van X tegen Halliburton de overweging van het Hof dat X aan de inhoud van de brief van 9 juni 1994 de betekenis van onvoorwaardelijke indexering mocht toekennen, bevestigd. De situatie van werknemer is vergelijkbaar. Omdat de indexatie onvoorwaardelijk is, dient deze op het moment dat werknemer met pensioen gaat door Halliburton te worden afgefinancierd, hetzij volledig, hetzij jaarlijks.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer heeft, ondanks het feit dat hij nog niet met pensioen is, belang bij zijn vorderingen. De vordering is niet verjaard. Voor de beantwoording van de vraag of werknemer recht heeft op onvoorwaardelijke dan wel voorwaardelijke indexatie van zijn pensioenrechten, dient allereerst te worden gekeken naar de inhoud van de brief van 9 juni 1994, omdat werknemer met de daarin genoemde wijziging van de pensioenregeling akkoord is gegaan. Vaststaat dat in die brief niet uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van een voorwaarde waaraan moet zijn voldaan voor daadwerkelijke indexatie. Anders dan Halliburton betoogt, is de kantonrechter van oordeel dat de mededeling dat financiering plaatsvindt uit ‘de extra renteopbrengsten die de verzekeringsmaatschappij aan ons uitkeert’ geen voorwaarde bevat. Aan de hand van uitleg van de afspraken conform de Haviltex-norm wordt geoordeeld dat werknemer er, gelet op de omstandigheden, waaronder de omstandigheid dat in de brief van 9 juni 1994 niet uitdrukkelijk melding is gemaakt van enige aan de indexering verbonden voorwaarde, redelijkerwijs aan de inhoud van die brief de betekenis van onvoorwaardelijke indexering heeft mogen toekennen. Aan het stilzwijgen van werknemer heeft Halliburton niet het vertrouwen mogen ontlenen dat tussen partijen in 1994 een voorwaardelijke indexering was overeengekomen. Dat werknemer pas in 2014 de indexering van zijn pensioenrechten aan de orde heeft gesteld kan Halliburton niet baten. Werknemer behoefde immers er niet op bedacht te zijn dat het nieuwe pensioenreglement afweek van het door hem geaccepteerde, naar zijn weten mede een onvoorwaardelijke indexatie bevattende, voorstel. Het beroep van Halliburton op rechtsverwerking respectievelijk rechtsverlies aan de zijde van werknemer faalt. Hallibutron wordt veroordeeld om de onvoorwaardelijke indexatie jaarlijks te financieren.