Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werknemer c.s.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 18 februari 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:836

werkgeefster/werknemer c.s.

Overtreding relatiebeding en non-sollicitatiebeding door voormalig werknemer. Wanprestatie en onrechtmatige daad.

Werknemer, die sinds 1 februari 1998 in dienst was van werkgeefster en op 16 juli 2007 is benoemd tot statutair directeur, is op 16 maart 2012 op staande voet ontslagen. In de arbeidsovereenkomst is een relatiebeding, een non-sollicitatiebeding (verbod om binnen een tijdvak van twee jaar na beëindiging van het dienstverband bij werkgever direct of indirect werknemers van werkgever in dienst te nemen of werknemers van werkgever te bewegen hun dienstverband met werkgever op te zeggen) en een boetebeding opgenomen. De activiteiten van werkgeefster bestaan uit het verrichten van bodemonderzoek, asbestinventarisaties, asbestinspecties, asbestanalyses en projectmanagement. Bij vonnis van 30 januari 2013 heeft de rechtbank geoordeeld dat werkgeefster een dringende reden had voor ontslag op staande voet van werknemer. Op 10 mei 2012 is X, mede door werknemer, opgericht. X houdt zich onder meer bezig met het verrichten van asbestinventarisaties en asbestinspecties. In totaal heeft X twaalf voormalige werknemers van werkgeefster in dienst genomen. Op 1 maart 2013 is werknemer bij X in dienst getreden als kwaliteitsmanager. Werkgeefster vordert onder meer werknemer te veroordelen tot betaling van verbeurde boetes vanwege overtreding van het relatiebeding en het non-sollicitatiebeding. Werkgeefster stelt dat sprake is van wanprestatie dan wel onrechtmatige daad en stelt ook X hiervoor aansprakelijk.

De rechtbank oordeelt als volgt. Werknemer heeft zijn stelling dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs onvoldoende onderbouwd. Het verweer van werknemer dat het boetebeding nietig is slaagt, maar slechts gedeeltelijk, namelijk voor zover het boetebeding bepaalt dat de boete niet voor rechterlijke matiging vatbaar is. Omtrent de gevorderde boetes wordt het volgende overwogen. Werkgeefster betoogt terecht dat wanneer een ex-werknemer een substantieel financieel belang verwerft in een vennootschap die net als zij (onder meer) asbestinventarisaties en asbestinspecties verricht en aan die vennootschap feitelijk leiding geeft, terwijl die vennootschap in de periode tot twee jaar na het einde van het dienstverband dergelijke werkzaamheden verricht voor bedrijven die in de periode van twee jaar voorafgaand aan het einde van het dienstverband klant van werkgeefster zijn geweest, het relatiebeding wordt geschonden. Zij betoogt ook terecht dat de desbetreffende ex-werknemer, in het geval waarin de hiervoor genoemde vennootschap in de periode van twee jaar na het einde van zijn dienstverband personeel in dienst neemt dat onmiddellijk daarvoor in dienst was van werkgeefster, het non-sollicitatiebeding schendt. Vaststaat dat werknemer en B vanaf de oprichting van X tot kort na 31 januari 2012 feitelijk de enige twee financieel belanghebbenden in deze vennootschap zijn geweest en dat werknemer in die periode feitelijk leiding heeft gegeven aan die vennootschap. X heeft in dezelfde periode werkzaamheden verricht voor bedrijven die klant zijn geweest van werkgeefster en heeft werknemers van werkgeefster in dienst genomen. Hiermee heeft werknemer zowel het relatiebeding als het non-sollicitatiebeding geschonden en is hij voor beide schendingen een boete aan werkgeefster verschuldigd. In navolging van werkgeefster beschouwt de rechtbank het bedienen van meerdere ex-klanten van werkgeefster als één overtreding en begroot zij de boete per overtreding van het relatiebeding op € 25.000 (in totaal € 407.500). De boete op grond van schending van het non-sollicitatiebeding bedraagt € 300.000 (12 werknemers x € 25.000).

Door schending van de bedingen heeft werknemer ten opzichte van werkgeefster wanprestatie gepleegd. Werkgeefster neemt terecht het standpunt in dat X onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door van deze wanprestatie te profiteren. Omdat werknemer feitelijk bestuurder was van X kan de wetenschap van werknemer over zijn eigen wanprestatie aan X worden toegerekend. Door de overname van vrijwel alle werknemers van werkgeefster was het voorzienbaar dat werkgeefster daardoor een groot deel van haar klanten gedurende (in ieder geval) een aantal maanden niet meer adequaat zou kunnen bedienen en dat een (mogelijk aanzienlijk) deel van de klanten van werkgeefster opdrachten aan X zou gaan verstrekken, met schade voor werkgeefster (een daling van de omzet en winst) tot gevolg. X fungeerde dus als het heimelijk door werknemer opgetuigde instrument waarmee werknemer uitvoering gaf aan zijn wanprestatie ten opzichte van werkgeefster en hij heeft van die wanprestatie geprofiteerd. X heeft daardoor onrechtmatig jegens werkgeefster gehandeld. De schade voor wat betreft X wordt in een schadestaatprocedure nader vastgesteld. Werkgeefster wordt opgedragen om te bewijzen dat X bedrijfsmaterieel van werkgeefster, waaronder luchtpompen en microscopen, heeft meegenomen en voor haar bedrijfsvoering heeft ingezet. Volgt aanhouding van de zaak.