Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/X V.O.F.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 7 april 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:1185

werknemer/X V.O.F.

Loonvordering werknemer niet verjaard, wel (mogelijk) sprake van rechtsverwerking.

Werknemer is op 13 augustus 2007 als chauffeur in dienst getreden van X V.O.F. (hierna: de vof) . De vennoten zijn de vader en stiefvader van werknemer. Op 5 mei 2010 is werknemer op staande voet ontslagen. In de onderhavige procedure vordert werknemer loon – mede op basis van de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen. Voorts stelt werknemer dat hij reeds voor 13 augustus 2007 werkzaam is geweest voor de vof zonder dat hij loon heeft ontvangen.

Het hof oordeelt als volgt. Het had, mede gelet op de familieverhouding tussen partijen, op de weg van werknemer gelegen om nader aan te geven welke concrete afspraken tussen partijen zijn gemaakt met betrekking tot eventueel door hem verrichte werkzaamheden voorafgaand aan 13 augustus 2007. Nu hij dat heeft nagelaten, kan er niet van uit worden gegaan dát hij heeft gewerkt én dat toen reeds sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst op grond waarvan het cao-loon verschuldigd zou zijn, zodat hij niet heeft voldaan aan zijn stelplicht.

Met betrekking tot de periode na 13 augustus 2007 oordeelt het hof als volgt. Vast staat dat de vof geen urenverantwoordingsstaten heeft verstrekt aan werknemer, waardoor een deugdelijke urenregistratie als in de cao voorzien ontbreekt. Werknemer heeft zijn vordering onderbouwd door overlegging van de tachograafschijven, daarop gebaseerde urenstaten en een rapport waarin op basis van die urenstaten zijn vordering wordt becijferd. Die vordering is, mede in het licht van het feit dat tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst door de werkgever geen urenverantwoordingsstaten zijn verstrekt, naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd. Volgens de vof zijn de vorderingen verjaard op grond van artikel 26 lid 2 onder e cao. Artikel 26 lid 2 onder e bepaalt dat een urenverantwoordingsstaat als bewijs geldt, indien de werknemer niet binnen drie maanden na ontvangst van een door de werkgever voor akkoord getekend exemplaar van die urenverantwoordingsstaat daartegen bezwaar maakt. In dit geval zijn in het geheel geen urenverantwoordingsstaten overgelegd, zodat dit artikel toepassing mist.

Mogelijk is wel sprake van rechtsverwerking (art. 6:248 lid 2 BW). Daartoe wenst het hof nader geïnformeerd te worden over de afspraken tussen partijen. Volgens VOF zou uitdrukkelijk zijn bedongen dat werknemer op termijn zou toetreden tot de VOF en derhalve meer als zelfstandig ondernemer werd beschouwd en behandeld.

Een deel van de loonvordering was door de kantonrechter afgewezen, onder verwijzing naar artikel 7:631 lid 8 BW. Voor zover het inhoudingen in de zin van artikel 7:631 BW betreft, verjaart een vordering na zes maanden. Ten aanzien van het restant verschuldigde nettoloon (na aftrek van voormelde betalingen aan en ten behoeve van werknemer) ad € 7.142,93 is echter, ook blijkens het eigen overzicht van de vof, geen sprake van enige inhouding ex artikel 7:631 BW. Het gaat hier in feite om een niet inhoudelijk bestreden loonvordering van werknemer, die in beginsel verjaart na vijf jaren nadat zij opeisbaar is geworden. Blijkens het overzicht is die vordering opeisbaar (in delen) vanaf september 2009, zodat zij niet is verjaard.