Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Protestantse Gemeente X
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 14 april 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:1342

werknemer/Protestantse Gemeente X

Ontslag 60-jarige koster in dienst van Protestantse Gemeente na ruim 10 dienstjaren niet kennelijk onredelijk. Anti-oppotbeding is nietig want in strijd met artikel 7:642 jo. artikel 7:645 BW.

Werknemer (1953 geboren) is op 1 september 2002 voor 0,42 fte (gemiddeld 15 uur per week) voor onbepaalde tijd in dienst getreden van de Protestantse Gemeente als koster. Werknemer ontving laatstelijk een maandsalaris van € 887,50 bruto, exclusief dienstwoning, vakantietoeslag, vrijwilligersvergoeding en BHV-toeslag. Tot de zomer van 2007 is sprake geweest van een probleemloos dienstverband. Nadat zich enkele incidenten hadden voorgedaan, heeft werknemer zich in oktober 2007 ziek gemeld. In 2010 is de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid met toestemming van het UWV opgezegd. Werknemer vordert schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, teruggave van te hoge huurlasten, uitbetaling van vakantiedagen en vrijwilligersbijdrage.

Het hof oordeelt als volgt. Anders dan werknemer meent, is er geen sprake van een kennelijk onredelijk ontslag. Van enig verband tussen de arbeidsongeschiktheid en gedragingen van de Protestantse Gemeente is onvoldoende sprake. Volgens werknemer had de Gemeente eerder in actie moeten komen en heeft de Gemeente de psychische toestand van werknemer laten ontstaan, maar dat is onvoldoende komen vast te staan.

Met betrekking tot de vrijwilligersbijdrage oordeelt het hof, gelijk aan de kantonrechter, dat hier een arbeidsprestatie tegenover stond. Over de jaren dat werknemer geen arbeid verrichte wegens ziekte, kan hij derhalve geen aanspraak maken op deze vergoeding.

Anders dan werknemer meent, hebben partijen rechtsgeldig kunnen en mogen afwijken van de Arbeidsvoorwaardenregeling inzake de huurpenningen. Er is geen sprake van dwaling, zodat de terugvordering van huur terecht is afgewezen.

In incidenteel hoger beroep stelt de Gemeente zich op het standpunt dat op grond van de Arbeidsvoorwaardenregeling vakantiedagen aan het einde van elke kalenderjaar kwamen te vervallen. Het hof oordeelt als volgt. Artikel 7:642 BW bepaalt dat een rechtsvordering tot toekenning van vakantie verjaart door verloop van vijf jaren na de laatste dag van het kalenderjaar waarin deze aanspraak is ontstaan. Artikel 7:645 BW bepaalt dat van artikel 7:642 BW niet ten nadele van de werknemer kan worden afgeweken. Ingevolge beide bepalingen is artikel 16.7 Arbeidsvoorwaardenregeling derhalve niet rechtsgeldig. Bij gebreke van andere weren, moet er in rechte van worden uitgegaan dat de vakantiedagen ter zake waarvan werknemer vergoeding vordert, nog steeds staan. Het anti-oppotbeding is niet geldig.