Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 17 februari 2015
ECLI:NL:GHDHA:2015:223
Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten/Uitzendbureau X BV
De Stichting heeft bij het uitzendbureau over de periode 1 juli 2007 tot en met 31 december 2008 met een onderbreking van 31 maart 2008 tot en met 30 juni 2008 controles doen uitvoeren door het onderzoeksbureau VRO. VRO heeft in haar rapport van 9 februari 2012 vastgesteld dat er bij het uitzendbureau sprake is van diverse overtredingen van de cao’s, waarbij de materiële benadering van de werknemers van het uitzendbureau over de onderzochte periode is vastgesteld op € 58.649. De Stichting heeft gevorderd dat het uitzendbureau wordt veroordeeld tot nabetaling van het bedrag van € 58.649 (aan de werknemers) binnen vier weken na betekening van het te wijzen arrest, dat het uitzendbureau wordt veroordeeld tot betaling (aan de Stichting) van het niet binnen vier weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis nabetaalde gedeelte van het genoemde bedrag van € 58.649 als aanvullende forfaitaire schadevergoeding, het uitzendbureau te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 12.188 als forfaitaire schadevergoeding. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen, omdat onvoldoende duidelijk was hoe de bedragen tot stand zijn gekomen.
Het hof oordeelt als volgt. De Stichting heeft duidelijk gemaakt dat het om een indicatieve berekening gaat. De Stichting heeft uitgelegd dat het onderzoek een steekproef ten aanzien van een aantal werknemers betreft, waarbij niet alle onderzochte werknemers gedurende de gehele onderzochte periode in dienst zijn geweest, maar wel voor de gehele onderzoeksperiode één of meer werknemers zijn onderzocht, waarna de gevonden gegevens, aan de hand van de tijdens de onderzochte perioden in totaal door het uitzendbureau betaalde loonsommen, zijn geëxtrapoleerd. De Stichting heeft erop gewezen dat het uitzendbureau niet heeft aangevoerd dat zij ten aanzien van sommige werknemers wél de verplichte reserveringen en uitbetalingen heeft gedaan, zodat mag worden aangenomen dat zij ten aanzien van geen van haar werknemers gedurende de onderzochte perioden aan die verplichtingen heeft voldaan. Voor de berekening van de materiële benadeling is daarom uitgegaan van het door de achterwege gelaten reserveringen en uitbetalingen gevormde percentage van de totale loonsom(men). Het hof is van oordeel dat, gelet op deze door de Stichting in hoger beroep gegeven uitleg en de onvoldoende betwisting daarvan door het uitzendbureau, uit het onderzoek voldoende is gebleken dat ten aanzien van alle werknemers van het uitzendbureau in de onderzochte perioden verschillende verplichte reserveringen en uitbetalingen niet hebben plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande acht het hof de wijze waarop de Stichting de materiële benadeling heeft berekend voldoende inzichtelijk en overtuigend en zal het dan ook van genoemd bedrag van € 58.649 uitgaan. Dat het uitzendbureau haar verplichtingen niet is nagekomen uit onwetendheid en niet te kwader trouw is geweest, nog daargelaten of zij dit voldoende heeft onderbouwd, brengt niet mee dat het niet-nakomen van haar verplichtingen haar niet kan worden toegerekend en is onvoldoende om tot matiging van de boete over te gaan.