Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 28 april 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:1593
Stichting Pensioenfonds van de Metalektro (PME)/werknemer
Werknemer (geboren 1951) is tot 1 mei 2009 op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam geweest in de metaalsector. Sinds 1 januari 2006 bestaat er naast het (gewone) ouderdomspensioen een zogenoemd voorwaardelijk extra ouderdomspensioen (hierna: VEP) voor deelnemers geboren na 31 december 1949. De reden voor invoering van het VEP was het afschaffen van de fiscale facilitering van VUT- en prepensioenregelingen met ingang van genoemde datum voor deelnemers geboren na 31 december 1949. Werknemer is met 1 maart 2011 met pensioen gegaan. Op 19 april 2011 is tussen de cao-partijen in de metaalsector overeenstemming bereikt over een nieuwe cao. Onderdeel van die overeenkomst was dat de leeftijd waarop aanspraak gemaakt kan worden op VEP met onmiddellijke ingang werd verhoogd van 60 naar 61 jaar, hetgeen impliceerde dat deelnemers uit het geboortejaar 1951 het VEP kon laten ingaan bij (vervroegde) pensionering op of na 1 januari 2012. Op 27 oktober 2011 heeft het bestuur van PME besloten aan daarvoor in aanmerking komende werknemers geboren in 1951 een VEP-uitkering toe te kennen met toepassing van een correctiefactor van 0,85.
Het hof oordeelt als volgt. Het standpunt van PME dat haar bestuur de discretionaire bevoegdheid toekomt al dan niet te besluiten of deelnemers, die in enig jaar na 1949 zijn geboren recht op VEP wordt toegekend, is op zichzelf juist. De vraag die in deze zaak voorligt is evenwel niet of het bestuur van PME mocht besluiten deelnemers geboren in 1951 geen recht op VEP toe te kennen, maar of het bestuur in oktober 2011 mocht besluiten bepaalde in dat jaar geboren deelnemers (namelijk diegenen die tussen 1 januari 2011 en 1 januari 2012 met pensioen waren gegaan) geen VEP toe te kennen en de andere in 1951 geboren deelnemers (die op of na 1 januari 2012 met pensioen zouden gaan) het recht daarop wel toe te kennen, nadat PME die deelnemers in november 2010 een brief had geschreven waarin werd toegelicht dat en waarom het vóór 1 januari 2011 voorziene besluit werd uitgesteld. Die vraag moet naar het oordeel van het hof ontkennend worden beantwoord. In beginsel dient PME vóór de aanvang van het kalenderjaar, waarin deelnemers uit een bepaald geboortejaar voor het eerst met (vervroegd) pensioen kunnen gaan en mogelijk recht hebben op VEP, te besluiten of deelnemers uit dat jaar VEP wordt toegekend. De desbetreffende deelnemer dient immers de mogelijkheid te hebben niet met (vervroegd) pensioen te gaan en door te werken als aan zijn jaargang geen VEP wordt toegekend. In de brief van PME aan de in 1951 geboren deelnemers van november 2010 staat dat PME heeft besloten het besluit over toekenning van VEP aan deelnemers geboren in 1951 uit te stellen tot de eerste helft van 2011 omdat ‘alle pensioenfondsen – en dus ook PME – (…) financieel in zwaar weer’ zitten en dat de deelnemer die met pensioen gaat voordat PME het besluit heeft genomen, met terugwerkende kracht VEP krijgt indien wordt besloten de jaargang 1951 (aan wie de brief gericht was) pensioen toe te kennen. Uit met name de (eenduidige) bewoordingen waarin deze mededeling was vervat, mochten de deelnemers tot wie de brief zich richtte, afleiden dat het feit dat er nog geen besluit over het toekennen van VEP aan hen was genomen uitsluitend zijn oorzaak vond in de onzekerheid over de financiële situatie van PME en konden en hoefden zij niet te begrijpen dat deelnemers de dupe zouden kunnen worden van het feit dat zij het besluit van PME over het toekennen van VEP niet afwachtten alvorens te beslissen met (vervroegd) pensioen te gaan. PME kon aldus na het schrijven van bedoelde brief van haar discretionaire bevoegdheid geen ander gebruik maken dan afzien van toekenning van VEP op financiële gronden. Zeker nu in de brief van november 2010 uitdrukkelijk wordt gesteld dat de deelnemers geboren in 1951 bij pensionering vanaf hun 60ste jaar (in beginsel) voor VEP in aanmerking kunnen komen, behoefden de in 1951 geboren deelnemers niet te verwachten dat zij hun VEP-rechten zouden (kunnen) verliezen als zij vanaf hun 60ste maar vóór hun 61ste jaar met (vervroegd) pensioen zouden gaan.