Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 21 april 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:1592
X en Dillenburg Management/BK Group International
X is bestuurder en enig aandeelhouder van DM. DM is houdster van 25,82% van de aandelen in BK Group Holding B.V., welke vennootschap 32,48% van de aandelen in BKGI houdt. Vanaf 1 juli 2013 heeft X managementwerkzaamheden voor BKGI verricht, waarvoor hij BKGI maandelijks € 14.583,33 in rekening heeft gebracht, vermeerderd met btw. Bij brief van 26 september 2014 aan DM is namens BKGI de overeenkomst uit hoofde waarvan X managementwerkzaamheden uitvoerde, beëindigd met ingang van 1 december 2014. X en DM stellen zich op het standpunt dat de managementovereenkomst moet worden beschouwd als een arbeidsovereenkomst die niet zonder ontslagvergunning kan worden opgezegd. Volgens de kantonrechter is de rechtsverhouding tussen DM en BKGI een overeenkomst van opdracht die in beginsel opzegbaar is. De redelijkheid en billijkheid brengt evenwel met zich dat een opzegtermijn van drie maanden in acht genomen had moeten worden.
Het hof oordeelt als volgt. Tussen partijen staat vast dat BKGI nimmer rechtstreeks (loon)betalingen aan X heeft gedaan maar dat DM vanaf 1 januari 2014 maandelijks facturen aan BKGI zond voor de door X verrichte werkzaamheden, waarbij een ‘fixed managementfee’ en de daarover verschuldigde btw in rekening werden gebracht, en dat die facturen ook tot en met augustus 2014 door BKGI aan DM zijn voldaan. Evenmin heeft X aannemelijk gemaakt dat er een gezagsverhouding tussen hem en BGKI bestond, zoals hij stelt. Hij heeft niet betwist dat hij geen vastomlijnd takenpakket had en zijn werkzaamheden naar eigen inzicht mocht inrichten en zelf mocht beslissen wanneer en van uit welk land hij werkzaam was. Hij heeft bovendien geen toestemming gevraagd om tijdens de looptijd van de overeenkomst naar Zuid-Afrika te verhuizen en van daaruit te werken, zoals hij heeft gedaan, maar BKGI medegedeeld dat hij naar Zuid-Afrika zou verhuizen (waartegen BKGI zich overigens niet heeft verzet). Deze wijze van functievervulling wijst juist op het ontbreken van een gezagsverhouding ten opzichte van BGKI. Uit de hiervoor gereleveerde feiten en omstandigheden moet naar het voorlopig oordeel van het hof de conclusie worden getrokken dat partijen niet hebben beoogd een arbeidsovereenkomst aan te gaan. X heeft vele jaren werkzaamheden verricht in het kader van tussen DM en haar opdrachtgevers aangegane managementovereenkomsten voordat de relatie die tussen partijen nu in geschil is, tot stand kwam. Niet aannemelijk is geworden dat hij de bestaande situatie wilde veranderen. Integendeel, hij heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven ook voor BKGI op basis van een managementovereenkomst te willen werken en heeft de betaling voor zijn werkzaamheden ook steeds via DM laten lopen. Er zijn geen werknemers binnen BKGI die vergelijkbare werkzaamheden verrichten en met wie wel een arbeidsovereenkomst bestaat.
Het beroep van X op de ontslagbescherming van artikel 9 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (BBA) is door de kantonrechter niet gehonoreerd. X en DM stellen dat BKGI niet de voor de beëindiging van de relatie ingevolge artikel 6 van het BBA vereiste toestemming had verkregen zodat het ontslag vernietigbaar is. Ook deze grief faalt. Weliswaar komt de ontslagbescherming van het BBA in beginsel ook toe aan degenen die arbeid voor een ander verrichten anders dan in het kader van een arbeidsovereenkomst, maar de ontslagbescherming komt alleen toe aan natuurlijke personen. Bij de door BKGI door haar brief van 26 september 2014 beëindigde overeenkomst was niet X maar de rechtspersoon DM partij.