Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 21 april 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:1511
werknemer/Olympia Uitzendbureau
(Vervolg op AR 2014-0563.) Werknemer is sinds 1 april 2005 in dienst van Olympia. Hij was laatstelijk werkzaam als bagage-/platformmedewerker op de luchthaven Schiphol. Op 7 december 2007 heeft Olympia werknemer op staande voet ontslagen wegens het feit dat in de nacht van 6 op 7 december 2007 door KLM Security Services was vastgesteld dat werknemer zich had schuldig gemaakt aan diefstal uit bagage en postzakken. Werknemer heeft de nietigheid van het ontslag ingeroepen. Bij tussenarrest heeft het Hof Amsterdam geoordeeld dat indien de door Olympia gestelde feiten komen vast te staan, een dringende reden voor ontslag op staande voet vaststaat, nu werknemer niet heeft betwist dat het meenemen en doorzoeken in strijd met de geldende regels was. Of een en ander geleid heeft tot daadwerkelijke ontvreemding van goederen is niet relevant. Juist omdat voor Olympia niet te controleren valt of haar werknemers bij het doorzoeken van postzakken en bagage iets ontvreemden – het betreft immers eigendommen van derden – mag zij de zware sanctie van ontslag op staande voet stellen op het – expliciet verboden – doorzoeken van postzakken en bagage. De zaak werd aangehouden voor nadere bewijsvoering.
Het hof oordeelt thans als volgt. Uit de verschillende verslagen kan niet anders worden opgemaakt dan dat werknemer de bewuste stukken moet hebben weggenomen. Werknemer blijft ontkennen dat hij die avond bagage heeft meegenomen, maar dit is niet meer dan een ongemotiveerde ontkenning die niet met concrete feiten en omstandigheden is geschraagd. Werknemer heeft moeten begrijpen dat zijn gedragingen van die avond, die Olympia als diefstal heeft geformuleerd, de aanleiding tot zijn ontslag hebben gevormd en dat Olympia met die formulering niet de reden van het ontslag heeft willen beperken tot een voltooide diefstal in strafrechtelijke zin. Werknemer heeft nog gesteld dat de resultaten van het onderzoek ten tijde van het ontslag op staande voet niet aan hem zijn voorgelegd en dat hij zich niet daartegen heeft kunnen verweren. Deze stelling wijst het hof van de hand. Uit de in het geding gebrachte processen-verbaal blijkt dat werknemer over de observaties en beschuldigingen is gehoord en daarover heeft verklaard. Nu het verwijt van strafrechtelijk verwijtbaar handelen in direct verband stond met het ontslag op staande voet valt niet in te zien dat hij over een en ander in het ongewisse is gebleven en daarvan enig nadeel heeft ondervonden. Niets stond er destijds aan in de weg dat hij de nietigheid van dat ontslag inriep en daarvoor de gronden aangaf. Dat werknemer dat toen heeft nagelaten om pas vijf jaar later deze procedure te beginnen, kan met enig informatietekort of de onmogelijkheid verweer te voeren geen verband houden.