Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werkneemster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 25 maart 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:2311

werkgeefster/werkneemster

Ontbinding arbeidsovereenkomst als gevolg van samenwerkingsproblemen binnen de vakgroep kindergeneeskunde. Billijke vergoeding van € 73.000 bruto.

Werkneemster (44 jaar) is op 13 oktober 2003 bij de rechtsvoorganger van werkgeefster in dienst getreden. Zij werkt als medisch specialist binnen de vakgroep kindergeneeskunde. Gelet op de hartproblemen van werkneemster is in 2007 overeengekomen dat werkneemster geen onregelmatigheidsdiensten en geen acute zorg meer zal verrichten. Met ingang van 1 mei 2011 vervulde werkneemster, voor de duur van drie jaar, de functie van Medisch manager kwaliteit. Aan werkneemster is kenbaar gemaakt dat deze tijdelijke aanstelling niet zal worden verlengd. Binnen de vakgroep kindergeneeskunde is er een samenwerkingsprobleem ontstaan tussen werkneemster en de andere leden van de vakgroep, die niet meer met werkneemster willen samenwerken. Werkgeefster verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een vergoeding aan werkneemster van € 38.566,04 bruto.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Nu een vruchtbare samenwerking in de toekomst is uitgesloten, wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden. Werkneemster heeft betoogd dat haar afwijkende takenpakket, het niet verrichten van acute zorg en het niet draaien van onregelmatigheidsdiensten, aanleiding is geweest voor de thans ontstane situatie in de vakgroep. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht rijst echter veeleer het beeld op dat de oorzaak van de verwijdering tussen werkneemster en haar vakgroepgenoten moet worden gezocht in het feit dat zij gedurende een langere tijd een functie buiten de kindergeneeskunde heeft geambieerd, gedurende drie jaar ook een managementfunctie heeft vervuld en zij daarnaast taken verrichtte op het medisch kinderdagverblijf Trompendaal en veelal werkte op de locatie Hilversum. Werkneemster en haar vakgroepgenoten zijn daardoor uit elkaar gegroeid en die verwijdering is (uiteindelijk) te ver gevorderd om nog (opnieuw) tot elkaar te komen. Ter zitting is gebleken dat er in de periode voorafgaand aan de jaarlijkse zogenaamde 360 graden Individueel Functioneren Medisch Specialisten-beoordeling (IMFS-beoordeling) weliswaar gesprekken hebben plaatsgehad met werkneemster, maar dat die gesprekken vooral tot doel hadden om een vinger aan de pols te houden of werkneemster zich staande wist te houden na het overlijden van haar broer. Naar het oordeel van de kantonrechter is aldus door de vakgroep te laat aan werkneemster een ondubbelzinnig, niet mis te verstaan signaal afgegeven dat er een serieus samenwerkingsprobleem met haar werd ervaren. Weliswaar heeft werkgeefster aangevoerd dat werkneemster al eerder herhaalde malen indringend is aangesproken op haar functioneren, maar die stelling is niet voldoende onderbouwd. De kantonrechter neemt daarbij aan de andere zijde in aanmerking dat werkneemster het signaal, dat uiteindelijk werd afgegeven, serieuzer had moeten nemen dan zij op dat moment heeft gedaan en het niet (alleen) had moeten terugvoeren op onvrede bij anderen over haar (beperkte) takenpakket vanwege haar medische beperkingen. Het valt haar ook aan te rekenen dat zij de door de vakgroep voorgestelde mediation van de hand heeft gewezen. Haar stellingname heeft daarmee een constructieve dialoog met de vakgroep (en de raad van bestuur) in de weg gestaan. Een vergoeding van € 73.000 bruto wordt billijk geacht.