Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 25 maart 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:2302

werkneemster/werkgeefster

Non-actiefstelling als gevolg van samenwerkingsproblemen binnen de vakgroep kindergeneeskunde. Wedertewerkstelling wordt toegewezen, indien het (inmiddels toegewezen) ontbindingsverzoek door werkgeefster wordt ingetrokken.

Werkneemster (44 jaar) is op 13 oktober 2003 bij de rechtsvoorganger van werkgeefster in dienst getreden. Zij werkt als medisch specialist binnen de vakgroep kindergeneeskunde. Gelet op de hartproblemen van werkneemster is in 2007 overeengekomen dat werkneemster geen onregelmatigheidsdiensten en geen acute zorg meer zal verrichten. Met ingang van 1 mei 2011 vervulde werkneemster, voor de duur van drie jaar, de functie van Medisch manager kwaliteit. Aan werkneemster is kenbaar gemaakt dat deze tijdelijke aanstelling niet zal worden verlengd. Binnen de vakgroep kindergeneeskunde is er een samenwerkingsprobleem ontstaan tussen werkneemster en de andere leden van de vakgroep, die niet meer met werkneemster willen samenwerken. Er heeft een onderzoek binnen de vakgroep plaatsgevonden naar de ontstane situatie. Werkneemster is op-non-actief gesteld. Zij vordert wedertewerkstelling.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Gelijktijdig met de mondelinge behandeling van onderhavig kort geding is het ontbindingsverzoek toegewezen (zie AR 2015-0447). Als het ontbindingsverzoek niet wordt ingetrokken, heeft werkneemster geen belang bij toewijzing van de door haar gevorderde opheffing van de non-actiefstelling, zodat de vordering moet worden afgewezen. Als door werkgeefster gebruik wordt gemaakt van de intrekkingsbevoegdheid, dan dient daaruit de gevolgtrekking te worden gemaakt dat zij het dienstverband met werkneemster wenst voort te zetten. Hetgeen (aanvankelijk) door werkgeefster ten grondslag is gelegd aan de non-actiefstelling lijkt dan ook daarmee tegenstrijdig dan wel achterhaald. In dat geval dient het belang van werkneemster bij hervatting van haar werkzaamheden te prevaleren. De kantonrechter neemt daarbij nog in aanmerking dat (1) werkneemster onweersproken heeft aangevoerd dat het niet kunnen uitoefenen van haar functie verstrekkende gevolgen heeft voor haar toekomstige carrière als kinderarts en de non-actiefstelling bovendien grievend en belastend is en dat (2) werkneemster heeft betwist dat de patiëntveiligheid (met name door de communicatieproblemen tussen haar en haar vakgroepgenoten) niet langer kan worden gegarandeerd en dat daartegenover werkgeefster heeft nagelaten nadere feiten en/of omstandigheden aan te voeren waaruit concreet blijkt dat zij de patiëntveiligheid inderdaad niet langer kan garanderen. De vordering in kort geding zal daarom – in het geval werkgeefster gebruik maakt van haar intrekkingsbevoegdheid – worden toegewezen. Tot slot wordt geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat werkgeefster zich negatief/onjuist heeft uitgelaten over werkneemster.