Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/BSH Huishoudapparaten BV
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 19 mei 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:1926

werknemer/BSH Huishoudapparaten BV

Eenzijdige wijziging voorwaarden WIA-excedentverzekering. Finale kwijting in vaststellingsovereenkomst.

Werknemer (geboren 1956) is op 1 september 1976 in dienst getreden van de rechtsvoorganger van BSH. Werknemer was laatstelijk (in april 2010) werkzaam in de functie van sales manager tegen een salaris van € 138.528 bruto per jaar aan vast loon en maximaal € 44.800 bruto per jaar aan bonus. Nadat werknemer met ingang van 23 april 2010 arbeidsongeschikt was geworden, hebben partijen een mediationtraject doorlopen en op 4 april 2011 een vaststellingsovereenkomst getekend, waarin een regeling is vastgelegd die partijen ter zake van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst hebben getroffen. Overeengekomen is dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 mei 2010 zou eindigen en dat werknemer een beëindigingsvergoeding zou ontvangen van € 450.000 bruto. Tevens is een beding van finale kwijting overeengekomen. BSH heeft met ingang van 1 januari 2009 voor haar werknemers een WIA-excedentverzekering afgesloten bij de Amersfoortse, die recht geeft op een aanvullende uitkering tot 70% van het vaste jaarloon inclusief vakantietoeslag, een eventuele dertiende maand en vaste winsttoeslag. Dit was bij de rechtsvoorganger nog 80% plus variabel loon. Het verschil tussen beide regelingen voor werknemer komt neer op € 2.118,17 per maand. Werknemer stelt zich op het standpunt dat zijn werkgever niet gerechtigd was eenzijdig de WIA-excedentverzekering te wijzigen. De kantonrechter heeft het verweer van BSH dat partijen alle aspecten van de beëindiging van hun arbeidsrelatie finaal hebben geregeld in eerdergenoemde vaststellingsovereenkomst gehonoreerd.

Het hof oordeelt als volgt. Allereerst oordeelt het hof dat de WIA-excedentverzekering geen arbeidsvoorwaarde is, althans niet uitdrukkelijk tussen partijen is overeengekomen. Voorts geldt tussen partijen een eenzijdig wijzigingsbeding, zodat BSH gerechtigd was de regeling te wijzigen, zoals hij dat heeft gedaan. In aanmerking nemende dat werknemer er ten tijde van de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst van op de hoogte was dat de voorwaarden van de WIA-excedentverzekering opnieuw waren vastgesteld en wat de nieuwe voorwaarden inhielden, heeft hij door zonder voorbehoud ter zake van de eventuele dekking onder die verzekering in de vaststellingsovereenkomst finale kwijting te verlenen, zijn eventuele rechten jegens BSH ter zake de grondslagen van de daaraan voorafgegane verzekering prijsgegeven. Werknemer heeft onvoldoende toegelicht waarom dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Zelfs als BSH niet gerechtigd zou zijn geweest de hiervoor besproken wijziging in de verzekeringsgrondslagen met ingang van 1 januari 2009 door te voeren, zou de vordering van werknemer dus niet toewijsbaar zijn.