Rechtspraak
werknemer/PCI Groep B.V.
Werknemer is in dienst getreden van Professional Document Solutions BV (hierna: PDS) in de functie van accountmanager. In de arbeidsovereenkomst zijn een concurrentiebeding en een provisieregeling opgenomen. De activiteiten van PDS zijn door PCI overgenomen. Op 1 september 2012 heeft werknemer een arbeidsovereenkomst met PCI getekend. De arbeidsovereenkomst bevat een concurrentie- en relatiebeding. In maart 2014 heeft werknemer een nieuwe leidinggevende gekregen. Tussen werknemer en zijn leidinggevende zijn conflicten ontstaan. Op 12 november 2014 is werknemer arbeidsongeschikt geworden. De bedrijfsarts, en later ook de arbodienst, hebben vastgesteld dat er geen re-integratie binnen PCI mogelijk is, omdat dit de medische klachten zal verergeren en het herstel zal belemmeren. Werknemer heeft een aanbod gekregen voor een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij Konica Minolta in de functie van Consultant CRD. PCI heeft desgevraagd geweigerd om werknemer te ontheffen van het concurrentiebeding. Werknemer vordert betaling van te weinig betaalde provisie (conform de provisieregeling zoals overeengekomen met PDS) en schorsing van het concurrentiebeding.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit de door PCI overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat er in juli en augustus 2012 op individuele basis onderhandelingen zijn gevoerd tussen werknemer enerzijds en PCI anderzijds over (onder meer) het salaris, de onkostenregeling en de te behalen targets. Voorts blijkt daaruit dat werknemer op de hoogte was van de bedrijfsovername door PCI. Uit die correspondentie blijkt verder dat werknemer niet tevreden was over de loonvoorwaarden van zijn oude contract. Dat het bepaalde in artikel 7:665a BW onder deze omstandigheden met zich zou brengen dat PCI expliciet op het recht van werknemer op (in beginsel) ongewijzigde voortzetting van zijn oude arbeidsovereenkomst had moeten wijzen en dat, nu daarvan niet is gebleken, dit met zich zou brengen dat de arbeidsovereenkomst nietig zou zijn, wordt vooralsnog niet aangenomen. Gelet op het voorgaande en voorts gelet op het feit dat werknemer na ondertekening van de nieuwe arbeidsovereenkomst met PCI afzonderlijke provisie-overeenkomsten heeft gesloten voor de jaren 2012, 2013 en 2014, wordt vooralsnog evenmin aangenomen dat werknemer nog aanspraak kan maken op toepassing van de provisieregeling krachtens de arbeidsovereenkomst met PDS.
Uit de overgelegde adviezen van de arboarts wordt voldoende aannemelijk dat werknemer op medische gronden arbeidsongeschikt is, dat die gronden zijn ontstaan als gevolg van zijn werk voor PCI en dat medisch herstel en re-integratie van werknemer niet valt te verwachten zolang hij bij PCI blijft. Voldoende aannemelijk is dat werknemer, gelet op zijn opleiding en eenzijdig arbeidsverleden, voor het vinden van een andere functie is aangewezen op de branche waarin hij tot nu toe werkzaam is geweest. Niet aannemelijk is geworden dat werknemer bij PCI specifieke vaardigheden of kennis heeft opgedaan. PCI heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zonder handhaving van het concurrentiebeding een reële en zwaarwegende aantasting van het bedrijfsdebiet van PCI dreigt. Daar komt bij dat het bedrijfsdebiet van PCI ook beschermd wordt door het relatiebeding in de arbeidsovereenkomst dat – kort samengevat – aan werknemer verbiedt om gedurende twee jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst contacten te onderhouden met (met name) leveranciers en afnemers van PCI. Bovenbedoelde omstandigheden brengen mee dat, gegeven het fundamentele (grond)recht van werknemer op een vrije arbeidskeuze, en mede het feit dat de noodzaak tot vertrek van werknemer aan PCI moet worden toegerekend terwijl werknemer is aangewezen op een functie in dezelfde branche, het belang van werknemer om door schorsing van het concurrentie beding in staat te worden gesteld bij Konica Minolta in dienst te treden aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van PCI bij handhaving daarvan. Het concurrentiebeding wordt geschorst.