Naar boven ↑

Rechtspraak

X c.s./Stichting Regionale Ambulance Voorziening provincie Utrecht
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 6 mei 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:2911

X c.s./Stichting Regionale Ambulance Voorziening provincie Utrecht

Wijziging berekening onregelmatigheidstoeslag. Werkgever is op grond van CAO Ambulancezorg niet gehouden de gemiddelde onregelmatigheidstoeslag te betalen. Geen verplichting tot betaling van een functie-/taaktoeslag of het aanbieden van een afbouwregeling ter compensatie van het inkomensverlies.

Twaalf werknemers (hierna: eisers) zijn in dienst van Stichting Regionale Ambulance Voorziening provincie Utrecht (hierna: RAVU). Na een pilot in 2002 verrichten de ambulanceverpleegkundigen hun werkzaamheden sinds 2005 deels op een solovoertuig. Aan eisers is op het moment dat zij als solist werkzaamheden zijn gaan verrichten een autorisatiebrief gezonden. Per 1 januari 2011 is, met een looptijd van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012, de eerste sector-CAO Ambulancezorg (hierna: cao 2011) afgesloten. Aansluitend is een nieuwe sector-CAO Ambulancezorg afgesloten met een looptijd van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 (hierna: cao 2013). De cao’s hebben een standaardkarakter. Op grond van de cao 2011 diende RAVU de onregelmatigheidstoeslag (hierna: ORT) te betalen op grond van de daadwerkelijk gewerkte onregelmatige uren. RAVU heeft de ORT evenwel tot 1 januari 2013 berekend op grond van de onregelmatige diensten die het team waarvan de betreffende medewerker deel uitmaakte op jaarbasis diende te werken. De ORT betrof derhalve tot 1 januari 2013 een op jaarbasis berekend gemiddeld bedrag met een gelijkelijke maandelijkse uitkering. Per 1 januari 2013 heeft RAVU een nieuwe roostersystematiek ingevoerd, nadat daarvoor vervangende toestemming was verkregen (zie AR 2012-1042). Vanaf 1 januari 2013 wordt de ORT door RAVU op grond van de cao 2013 berekend op grond van de feitelijk gewerkte onregelmatige uren. Het geschil tussen partijen betreft de vraag of RAVU met ingang van 1 januari 2013 gehouden is aan eisers de gemiddelde ORT uit te betalen, dan wel een functie-/taaktoeslag of afbouwregeling aan te bieden ter compensatie van het inkomensverlies als gevolg van de gewijzigde berekening van de ORT.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Vooropgesteld wordt dat beide partijen zichzelf aan de cao gebonden achten. In de cao 2011 en 2013 is bepaald dat de werknemer recht heeft op een onregelmatigheidstoeslag voor arbeid verricht over de feitelijk onregelmatige uren waarop de werknemer in parate diensten of aanwezigheidsdiensten ter beschikking van de werkgever staat. De primair door eisers gevorderde verklaring voor recht dat de gemiddelde ORT aan eisers voldaan moet blijven worden vanaf 1 januari 2013 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, is dan ook niet toewijsbaar, evenmin als de vordering tot uitbetaling van de gemiddelde ORT. De kantonrechter begrijpt dat eisers aan hun subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen ten grondslag hebben gelegd dat RAVU heeft gehandeld in strijd met de regels van goed werkgeverschap van artikel 7:611 BW, door hen geen functie-/taaktoeslag of afbouwregeling aan te bieden ter compensatie voor het vervallen van de gemaakte afspraken ter zake van uitbetaling van de gemiddelde ORT. Ter onderbouwing van de gevorderde functietoeslag nemen eisers tot uitgangspunt dat de taak van solist als een aparte functie kan worden beschouwd. De kantonrechter volgt eisers niet in hun standpunt en acht het in de autorisatiebrieven verwoorde doorslaggevend voor de vraag welke functie eisers vervullen. In de aan eisers gezonden autorisatiebrieven is uitdrukkelijk vermeld dat zij hun functie van ambulanceverpleegkundige vanaf dat moment deels kunnen uitvoeren als solist. De functie van eisers is derhalve gelijk gebleven en slechts de uitvoering van deze functie is (deels) gewijzigd. Dat eisers hiervoor aanvullende scholing hebben gevolgd, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de kantonrechter is uit het door eisers gestelde niet komen vast te staan dat RAVU tot 1 januari 2013 aan eisers een taaktoeslag heeft toegekend in de vorm van uitkering van de gemiddelde ORT. Uit de stellingen van eisers is, gelet op de uitdrukkelijke betwisting door RAVU, niet komen vast te staan dat solisten in het nieuwe rooster minder onregelmatige diensten kunnen draaien dan ambulanceverpleegkundigen die slechts op de ambulance werkzaam zijn. Hoewel deze diensten wellicht grotendeels zouden moeten worden gedraaid als zij op de ambulance werkzaam zijn, valt aan de hand van de stellingen van eisers niet in te zien dat solisten op grond daarvan worden benadeeld. De stelling van eisers dat zij de onregelmatigheidsdiensten in minder tijd moeten verrichten gaat niet op, nu zij in de tijd dat zij de taken van solist vervullen minder onregelmatige diensten draaien. De enkele omstandigheid dat eisers als ambulanceverpleegkundigen een aparte taak vervullen, rechtvaardigt dan ook niet de conclusie dat eisers recht hebben op een toeslag. Alle ambulancemedewerkers dienen na 1 januari 2013 hun onregelmatigheidsdiensten aan te passen en zo nodig uit te breiden teneinde te komen tot de eerder uitgekeerde gemiddelde ORT. De subsidiaire vordering ter zake uitbetaling van een functie-/taaktoeslag wordt afgewezen.

Op grond van het vorenstaande resteert de vraag of RAVU eisers een afbouwregeling had dienen aan te bieden ter compensatie van de inkomensachteruitgang die optreedt indien eisers in 2013 dezelfde onregelmatigheidsdiensten zouden draaien als in 2012. Genoegzaam is komen vast te staan dat RAVU eisers herhaaldelijk heeft geïnformeerd over de reeds vanaf 1 januari 2011 in de cao opgenomen bepaling op grond waarvan niet langer de gemiddelde ORT zou mogen worden uitgekeerd, maar de ORT over de daadwerkelijk gewerkte onregelmatigheidsdiensten. RAVU heeft een aan alle medewerkers van RAVU gezonden brief van maart 2011 overgelegd, waaruit volgt dat naar aanleiding van een onder de medewerkers gehouden enquête alsnog en in strijd met de cao 2011 de gemiddelde ORT over de jaren 2011 en 2012 zal worden uitgekeerd. De kantonrechter acht deze regeling, die kan worden beschouwd als een overgangsregeling, in de gegeven omstandigheden in overeenstemming met de eisen van goed werkgeverschap. Uit de door partijen overgelegde stukken is niet af te leiden dat RAVU aan eisers op enig moment het vertrouwen heeft gewekt dat de gemiddelde ORT ook na 1 januari 2013 zal worden uitgekeerd. De (meer subsidiaire) vordering tot uitbetaling van een afbouwregeling is derhalve evenmin toewijsbaar.