Naar boven ↑

Rechtspraak

Coöperatieve Rabobank Rotterdam U.A./werknemer
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 25 maart 2015
ECLI:NL:RBROT:2015:3866

Coöperatieve Rabobank Rotterdam U.A./werknemer

Ontbinding arbeidsovereenkomst vermogensmanager na incident met toekomstig leidinggevende op kerstborrel. C=0,5.

Werknemer is sinds 1 maart 2011 bij Rabobank in dienst, laatstelijk in de functie van vermogensmanager. Tot 1 januari 2014 was G de direct leidinggevende van werknemer en met ingang van 1 januari 2014 is dit H. Tijdens de jaarlijkse kerstborrel op 20 december 2013 van de afdeling Private Banking van Rabobank heeft een incident plaatsgevonden tussen werknemer en H. H zou werknemer drie keer een klap/tik in het gezicht hebben gegeven. Rabobank verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van werknemer wegens een verstoorde arbeidsrelatie. Rabobank stelt dat alles in het werk is gesteld om het voorval tijdens de kerstborrel tot een oplossing te brengen. Zo heeft Rabobank veel tijd en moeite gespendeerd om werknemer te bewegen de excuses van H te aanvaarden, is tot tweemaal toe een aanbod tot mediation gedaan en heeft op verzoek van werknemer een zeer uitgebreid onderzoek plaatsgevonden door de onderzoekscommissie. Niet gebleken is daarentegen dat werknemer daadwerkelijk tot een oplossing heeft willen komen. Hoewel Rabobank erkent dat met hetgeen zich op 20 december 2013 heeft voorgedaan door H een zekere grens is overschreden, waarvoor hij na verschijning van de onderzoeksrapportage ook een officiële waarschuwing en een aantekening in zijn dossier heeft gekregen, deelt zij de mening van de onderzoekscommissie. De onderzoekscommissie heeft geoordeeld dat het niet kunnen vinden van een oplossing op conto van werknemer dient te worden geschreven, die op ramkoers lijkt te liggen en de bij herhaling mondeling en schriftelijk geuite excuses van H eenvoudigweg niet wenst te aanvaarden en daarbij (ook na kennisname van de conclusie van de onderzoekscommissie) zijn lezing van hetgeen is voorgevallen hardnekkig handhaaft.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Beide partijen hebben geen vertrouwen in een vruchtbare voortzetting van de arbeidsrelatie, zodat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Ten aanzien van de vergoeding wordt het volgende overwogen. Hoewel Rabobank een en ander te verwijten valt met betrekking tot de wijze waarop zij met de afhandeling van het incident d.d. 20 december 2013 is omgegaan, is het ontstaan van de duurzaam verstoorde arbeidsverhouding in overwegende mate te wijten aan de opstelling en houding van werknemer. Aan Rabobank wordt tegengeworpen dat eerder actief had moeten worden ingegrepen na het incident. Pas na verschijning van de onderzoeksrapportage heeft zij ondubbelzinnig geuit dat de ‘aanraking’ op zichzelf genomen, gezien de verhouding tussen partijen, ongepast was en H daarvoor berispt. Hier staat echter tegenover dat door Rabobank wel diverse gesprekken zijn gevoerd, mediation is aangeboden en de klachten van werknemer aan de onderzoekscommissie zijn voorgelegd. Hoewel werknemer op zijn beurt telkens heeft gesteld tot een oplossing te willen komen, is dit niet, althans onvoldoende, gebleken uit zijn houding en opstelling sedert het incident. Van belang daarbij is dat werknemer, hoewel hij daartoe als goed werknemer wel gehouden was, tot tweemaal toe een aanbod tot mediation heeft geweigerd, dit terwijl in een situatie als de onderhavige, ten einde H en werknemer nader tot elkaar te brengen, mediation de aangewezen weg was geweest en H bovendien wel met het voorstel tot mediation heeft ingestemd. Daarnaast heeft werknemer zich weinig flexibel opgesteld en er geen blijk van gegeven tot een duurzame oplossing te willen komen, anders dan door het aanbieden van excuses door H in de door werknemer gewenste bewoordingen. Ook na verschijning van de door de onderzoekscommissie opgestelde rapportage heeft werknemer zich niet bij de uitkomst, hoewel de mogelijke consequenties daarvan vooraf zijn besproken, kunnen neerleggen. In de gegeven omstandigheden is er reden voor toekenning van een vergoeding aan werknemer van € 18.026,73 bruto, overeenkomend met correctiefactor C=0,5.