Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 23 juni 2015
ECLI:NL:GHDHA:2015:1621
werknemer/Heineken Nederlands Beheer B.V., Heineken Nederland B.V. en Albron Nederland B.V.
In deze procedure gaat om de vaststelling van de rechtsgevolgen van de – op 1 maart 2005 wegens een overgang van onderneming plaatsgehad hebbende – overgang van rechtswege op Albron van de arbeidsovereenkomst die eertijds tussen HNB als werkgeefster en werknemer heeft bestaan. Een van die geschilpunten betreft de vraag of werknemer zowel aanspraak heeft op behoud van arbeidsvoorwaarden ex artikel 7:663 BW als de materiële compensatie ad € 137.000 die op 17 mei 2005 door HNB op grond van de Uitbestedingsparagraaf in de sociale begeleidingsregeling (hierna: SBR) aan werknemer is toegekend.
Het hof oordeelt als volgt. Blijkens de gedingstukken is tijdens deze procedure steeds uitgegaan van een onderscheid tussen enerzijds de in artikel 7:663 BW vervatte wettelijke regeling van de rechtsgevolgen van de overgang van een onderneming en anderzijds de in de SBR vervatte regelingen, en wel zodanig dat toepasselijkheid van de wettelijke regeling, de toepasselijkheid van de andere regeling uitsluit. De rechtbank heeft dienaangaande gesproken van een (onbenoemde) plicht tot terugbetaling, en geoordeeld dat de verjaringstermijn ten aanzien van deze plicht eerst een aanvang heeft genomen na het door de Hoge Raad gewezen arrest d.d. 5 april 2013, zodat van verjaring geen sprake is. Albron heeft een vijftal grondslagen voor de plicht tot terugbetaling door werknemer aangevoerd, beginnend met de stelling dat sprake is van een ontbindende voorwaarde. Deze opstelling krijgt bijval van het hof. Immers kunnen de ten processe gebleken feiten en omstandigheden bezwaarlijk anders worden geduid dan als een op de SBR berustende en door werknemer aanvaarde toezegging, zulks onder de ontbindende voorwaarde dat zou blijken dat niet de SBR maar de wettelijke regeling van artikel 7:663 BW van toepassing is op de arbeidsrechtelijke positie van werknemer. Van zodanig ‘blijken’ (en dus van de vervulling van de onderhavige ontbindende voorwaarde) is naar het oordeel van het hof op in de gegeven omstandigheden passende wijze en in vereiste mate sprake vanaf de dag van de uitspraak door het Hof van Justitie EU op 21 oktober 2010, nu daarmee het antwoord werd gegeven op de ten processe relevante vragen. De vervulling van de ontbindende voorwaarde had ten gevolge dat daarmee op 21 oktober 2010 de wettelijke verbintenis tot ongedaanmaking in de zin van artikel 6:24 BW opeisbaar werd, welke opeisbaarheid de aanvang van de verjaringstermijn van de vordering tot nakoming van die verbintenis markeert. Gelet op de datum van de inleidende dagvaarding in deze procedure (11 april 2013), is mitsdien geen sprake van verjaring van de rechtsvordering.