Naar boven ↑

Rechtspraak

X en X Beheer BV/Y International BV
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 23 juni 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:2545

X en X Beheer BV/Y International BV

Geen sprake van een arbeidsovereenkomst en evenmin een agentuurovereenkomst.

X en Y zijn in 1999 een samenwerkingsverband aangegaan in een VOF-constructie waarbij handel werd gedreven tussen Nederland en Turkije. In 2010 hebben X Beheer en Y een agentuurovereenkomst gesloten. X was verantwoordelijk voor het deel in Turkije. Y bericht X medio 2012 niet tevreden te zijn over diens functioneren en zegt de overeenkomst met X op. Volgens X is dit een nietige opzegging van de arbeidsovereenkomst. Volgens Y is geen sprake van een arbeidsovereenkomst maar een overeenkomst van opdracht. Y heeft betwist dat er ooit sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. X is volgens haar (in ieder geval) sedert 2010 werkzaam voor Y in Turkije in het kader van een overeenkomst van opdracht inhoudende het leiding geven aan de Turkse activiteiten van Y International. X heeft zich van deze taak niet deugdelijk gekweten doordat hij een door hem aangestelde leidinggevende in Turkije ondanks waarschuwingen van enkele personeelsleden, de vrije hand heeft gelaten, waardoor deze een waar schrikbewind heeft kunnen uitvoeren, terwijl er voorts zakelijk van alles is misgegaan met grote verliezen als gevolg. Om die reden was een onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst uit 2010 gerechtvaardigd.

Het hof oordeelt als volgt. Het hof stelt allereerst vast dat aan geen van de tussen partijen gesloten overeenkomsten in de periode dat zij hebben samengewerkt (zoals hiervoor genoemd onder de vastgestelde feiten) een kennelijke bedoeling van partijen kan worden ontleend om deze overeenkomsten aan te merken als een arbeidsovereenkomst. De wijze van inrichting van deze overeenkomsten ziet veeleer op een vorm van gemeenschappelijk ondernemen, waarbij X zijn kennis van de markt in onder meer Turkije en omringende landen inbrengt met het doel de producten van Y aldaar af te zetten. Ook de laatstelijk in 2010 gesloten agentuurovereenkomst tussen Y enerzijds en X Beheer BV anderzijds bevat geen bewoordingen die zouden kunnen duiden op het aangaan van een arbeidsovereenkomst. Partijen hebben kennelijk ook nimmer de bedoeling gehad om een arbeidsovereenkomst te sluiten. De financiële afwikkeling tussen partijen als neergelegd in de agentuurovereenkomst (maandelijkse vergoeding te vermeerderen met eventuele provisies) heeft plaatsgevonden op basis van met btw belaste facturen afkomstig van X Beheer BV. Enige vorm van vergoeding door Y voor sociale verzekeringen en pensioen ontbreekt daarbij. X betoogt dat er wél een gezagsrelatie tussen partijen bestond, maar hij heeft nagelaten dit voldoende nader te onderbouwen. Zo heeft hij niet aangegeven welke bindende instructies hem door Y zijn verstrekt, die zouden kunnen duiden op een enige vorm van ondergeschiktheid. De omstandigheid dat Y de agentuurovereenkomst heeft beëindigd omdat zij niet tevreden was over de wijze waarop X laatstelijk leiding heeft gegeven aan de vestiging van Y in Turkije, maakt niet dat aan die taak inherent een gezagsrelatie met Y ten grondslag lag en hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat Y daaraan voorafgaand gedurende enige tijd X van zijn taak heeft ontheven.

X klaagt in hoger beroep met succes dat hem ten onrechte een te lage vergoeding over de opzegtermijn die in acht genomen had moeten worden, is betaald.