Naar boven ↑

Rechtspraak

X, Intercommerce Marlin B.V., I.C.M. Oosterom B.V./Dyckerhoff Basal Nederland B.V.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 12 mei 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:3386

X, Intercommerce Marlin B.V., I.C.M. Oosterom B.V./Dyckerhoff Basal Nederland B.V.

Vaststellingsovereenkomst vernietigd wegens dwaling (nevenactiviteiten en voorbereide concurrentie tijdens dienstverband door statutair directeur).

Dyckerhoff drijft ondernemingen die zich bezighouden met de fabricage en/of verwerking van en handel in betonmortel, metselspecies, toeslagenmaterialen (zogenaamde aggregates) en aanverwante producten. X is van april 1981 tot en met 31 december 2010 in diverse functies in dienst geweest bij (de rechtsvoorgangers van) Dyckerhoff Nederland. Hij was tot 1 oktober 2010 statutair bestuurder van onder andere Dyckerhoff en Dyckerhoff Basal Toeslagstoffen B.V. (verder: Dyckerhoff Toeslagstoffen), een 100% dochteronderneming van Dyckerhoff. In de arbeidsovereenkomst van X is een verbod op nevenactiviteiten en een concurrentiebeding opgenomen. Op 18 augustus 2010 hebben Dyckerhoff en X overeenstemming bereikt over de beëindiging van de statutaire functies van X per 1 oktober 2010 en de beëindiging van zijn dienstverband per 31 december 2010. Partijen hebben op 18 augustus 2010 een vaststellingsovereenkomst opgemaakt en ondertekend. Aan X is een vergoeding toegekend van 1 miljoen euro. Voorts zou Dyckerhoff aan een door werknemer op te richten onderneming gedurende een periode advieswerkzaamheden uitbesteden. In de vaststellingsovereenkomst zijn het concurrentiebeding en het verbod op nevenactiviteiten gehandhaafd. Op 4 november 2010 heeft X, als bestuurder van Galjoen, de vennootschappen Bizon Aggregates B.V. i.o. en Bizon Concrete B.V. i.o., gevestigd op zijn woonadres, doen inschrijven in het Handelsregister. Dyckerhoff beroept zich thans op dwaling (tijdens het sluiten van de vaststellings- en uitvoeringsovereenkomsten handelde X in strijd met het goed werknemerschap en de contractuele verboden) waarmee de overeenkomsten worden aangetast. De rechtbank heeft de vaststellingsovereenkomst partieel – ten aanzien van de betalingsverplichtingen en de verplichtingen tot voortzetting van de (nieuw) overeengekomen pensioenverplichtingen en tot het aangaan van de Consultancy Agreement – en de Consultancy Agreement geheel vernietigd. De rechtbank heeft X c.s. veroordeeld tot terugbetaling van de als gevolg van de vernietiging door Dyckerhoff onverschuldigd betaalde bedragen.

Het hof oordeelt als volgt. Voor de beantwoording van de vraag of de vaststellingsovereenkomst wegens dwaling kan worden vernietigd, is gelet op de door partijen in dit verband betrokken stellingen van belang of deze overeenkomst door Dyckerhoff is gesloten onder invloed van dwaling en deze bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten indien X in verband met hetgeen hij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, Dyckerhoff had ingelicht. X moest uit de ruime formulering van het concurrentiebeding en het feit dat Dyckerhoff hieraan bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst uitdrukkelijk vasthield, begrijpen dat de in de concept-voorovereenkomst van 13 april 2010 opgezette bedrijfsstructuur evenals de verwerving van D met het doel deze activiteiten te gaan exploiteren, door het concurrentiebeding zou (kunnen) worden bestreken. Bovendien was X reeds op grond van het verbod op het zonder schriftelijke toestemming aangaan van nevenwerkzaamheden (art. III.3 van de arbeidsovereenkomst) en zijn aan B dienaangaande gedane toezegging, gehouden openheid van zaken te geven over de door hem nagestreefde activiteiten, hetgeen hij heeft nagelaten. Dit geldt zowel voor de met V en R opgezette structuur, die is uitgemond in de Bizon-vennootschappen, als voor de nagestreefde acquisitie van D, ten aanzien waarvan X moest begrijpen dat deze activiteiten door het concurrentiebeding zouden (kunnen) worden bestreken. Voldoende aannemelijk is dat Dyckerhoff, indien zij kennis zou hebben gehad van de heimelijk door X opgezette bedrijfsactiviteiten, de vaststellingsovereenkomst en de Consultancy Agreement niet zou hebben gesloten. Dit geldt naar het oordeel van hof zowel voor de activiteiten die tot de Bizon-groep hebben geleid, als voor de activiteiten gericht op de verwerving van D. Het daarop gebaseerde beroep op dwaling slaagt derhalve. In het midden kan daarom verder blijven of Dyckerhoff ook bij wetenschap van de (omvang en aard van de) met de company card gedane uitgaven en bij kennis van de overeenkomst over het opstalrecht voor de windmolen, de vaststellingsovereenkomst niet zou hebben gesloten. Het hof stelt voorop dat de rechtbank in het vonnis van 13 november 2013 heeft geoordeeld dat de Consultancy Agreement de strekking heeft om voort te bouwen op de vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:229 BW, dat de vernietiging van de Consultancy Agreement voortvloeit uit de vernietiging van de verplichting tot het aangaan daarvan en dat het feit dat de Consultancy Agreement is gesloten tussen andere partijen dan de bij de vaststellingsovereenkomst betrokken partijen, in dit geval niet aan vernietiging op grond van deze bepaling in de weg staat. Deze oordelen zijn in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof van de door de rechtbank aangenomen samenhang tussen beide overeenkomsten uitgaat.