Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij NV
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 31 maart 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:1222

werkneemster/DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij NV

Intentie of aanvaard aanbod tot verlenging van arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd?

Werkneemster is met ingang van 1 juni 2012 bij DAS in dienst getreden als Acceptant Allround voor de bepaalde tijd van twaalf maanden. Aansluitend is haar dienstverband voortgezet voor de bepaalde tijd van twaalf maanden, zodat dit, aldus ook de desbetreffende verlengingsakte van 16/24 mei 2013, van rechtswege eindigde op 31 mei 2014. De op de arbeidsverhouding toepasselijke CAO Binnendienst/CAO voor het verzekeringsbedrijf bevat, op de voet van het bepaalde in artikel 7:668a lid 5 BW, een afwijking van de wettelijke ketenregeling in dier voege dat bepaald is dat een dienstverband voor bepaalde tijd (waarvan is bepaald dat dit in beginsel een periode van één jaar niet zal overschrijden), slechts eenmalig tot maximaal een totale periode van drie jaar minus één dag kan worden verlengd zonder dat voor beëindiging voorafgaande opzegging nodig is en dat wanneer een (aldus) verlengde arbeidsovereenkomst wordt voortgezet, de laatste arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd. De teamleider heeft werkneemster een verlengingsaanbod gedaan. Zodra DAS via haar afdeling HRM zich bewust was geworden dat een nieuwe verlenging van het contract met werkneemster zou resulteren in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, heeft DAS op 12 maart 2014 aan werkneemster laten weten dat geen nieuwe arbeidsovereenkomst zou worden aangeboden en het dienstverband op 1 juni 2014 zou eindigen. Bij brief van 19 maart 2014 heeft werkneemster bericht niet akkoord te gaan met de ‘intrekking contract verlenging’. Zij stelt zich in deze brief op het standpunt dat de zowel mondeling als schriftelijk gedane bevestiging dat haar contract voor één jaar zou worden verlengd per 1 juni 2014 een voor DAS bindende toezegging inhield respectievelijk dat sprake was van een nietige intrekking, zodat zij ook na 1 juni 2014 in dienst van DAS zou zijn. De vraag die partijen met name verdeeld houdt, is of op 27 februari 2014 al dan niet een (derde) arbeidsovereenkomst tussen hen tot stand is gekomen.

Het hof oordeelt als volgt. Tussen partijen staat vast dat op 27 februari 2014 op verzoek van C een gesprek heeft plaatsgevonden tussen hem en werkneemster. Vast staat eveneens dat dit gesprek betrekking had op verlenging van de arbeidsovereenkomst van werkneemster met DAS. Volgens DAS heeft C daarbij enkel de intentie uitgesproken om de arbeidsovereenkomst voor – opnieuw – twaalf maanden te verlengen. Werkneemster stelt daarentegen dat tijdens dit gesprek een nieuwe arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, omdat C tijdens dit gesprek haar een aanbod tot verlenging van de overeenkomst heeft gedaan dat zij tijdens dit gesprek heeft aanvaard. Het hof acht voorshands aannemelijk dat dit laatste het geval is geweest. Daarvoor is allereerst redengevend de inhoud van de e-mail die B en C op diezelfde dag – te weten 27 februari 2014 en, naar vaststaat, na het voornoemde gesprek – onder de gehele afdeling Acceptatie (in totaal zestien tot achttien personen) hebben verspreid. Voor zover DAS zich erop heeft beroepen dat in het gesprek van 27 februari 2014 geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen omdat in dat gesprek niet althans onvoldoende over de arbeidsvoorwaarden van de nieuwe overeenkomst tussen partijen is gesproken, verwerpt het hof dit verweer omdat in dit geval reeds een arbeidsovereenkomst tussen partijen bestond en het om verlenging van die arbeidsovereenkomst ging, waarbij, naar onbestreden vaststaat, werkneemster haar bestaande functie zou voortzetten.