Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Zorgbelang Gelderland/Stichting Sint MaartensKliniek (SMK) en Patiëntenadviesraad Sint Maartenskliniek Nijmegen
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 3 juni 2015
ECLI:NL:GHAMS:2015:2660

Stichting Zorgbelang Gelderland/Stichting Sint MaartensKliniek (SMK) en Patiëntenadviesraad Sint Maartenskliniek Nijmegen

WMCZ: enquêteverzoek patiëntenraad afgewezen. Impasse in medezeggenschap mede door patiëntenraad veroorzaakt, geen wanbeleid zorginstelling.

De onderhavige zaak betreft een enquêteverzoek van de Patiëntenadviesraad (PAR) naar het vermeende wanbeleid bij SMK. Een conflict tussen SMK en de PAR is begonnen naar aanleiding van een brief van 11 februari 2014 ten aanzien van een wijziging van artikel 3.1 onder f van het Informatieprotocol. De PAR heeft op een dusdanige wijze op deze brief gereageerd dat hij een juridisering van een verschil van inzicht in de hand heeft gewerkt, waardoor uiteindelijk een onwerkbare situatie is ontstaan. De houding van SMK is hieraan mede debet geweest; in de periode voordat het vonnis in kort geding werd gewezen, heeft SMK steken laten vallen. In het bijzonder heeft SMK, mogelijk onbedoeld, ten minste de suggestie gewekt het in 2.3 genoemde reglement eenzijdig te willen wijzigen en heeft zij die indruk niet voortvarend (want pas op 9 juli 2014 op ondubbelzinnige wijze) weggenomen toen de PAR daartegen bezwaar maakte.

De Ondernemingskamer oordeelt als volgt. Toch kan niet worden geoordeeld dat het disfunctioneren van de medezeggenschap in dit geval een gegronde reden oplevert om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van SMK te twijfelen. Daarbij neemt de Ondernemingskamer in aanmerking hetgeen zich in de verhouding tussen SMK en de PAR heeft voorgedaan in de periode nadat genoemd vonnis is gewezen. De raad van bestuur heeft de PAR van informatie voorzien en er zijn adviezen gevraagd en uitgebracht ten aanzien van tal van onderwerpen. Hoewel dit er op het eerste gezicht op duidde dat, zoals ook Zorgbelang naar voren heeft gebracht, de medezeggenschap werd vlot getrokken, bleef de PAR klagen over een gebrek aan informatie. Op verzoeken van de raad van bestuur om hierover nader van gedachten te wisselen en duidelijk te maken op welke punten de PAR nog informatie behoefde, heeft de PAR niet concreet gereageerd. Opvallend is voorts de afwezigheid van een reactie van de PAR op voorstellen van de raad van bestuur om een procedure bij de Landelijke Commissie van Vertrouwenslieden (hierna: LCvV) te volgen – de in de wet aangewezen weg bij geschillen waarnaar in artikel 10 lid 1 WMCZ wordt verwezen – of een mediator in te schakelen teneinde met elkaar in gesprek te raken en de samenwerking voor de toekomst gestalte te geven. Mede gezien de brief van Zorgbelang van 3 februari 2015 waarin de PAR wordt opgeroepen de opdracht van de voorzieningenrechter serieus te nemen, is de consequent weigerachtige opstelling van de PAR, waarvoor hij geen afdoende verklaring heeft gegeven, onbegrijpelijk. De conclusie is dat de PAR onwelwillend is om een bijdrage te leveren aan een werkbare relatie. Dat de medezeggenschap is gestagneerd, is naar het oordeel van de Ondernemingskamer dan ook in overwegende mate te wijten aan de onwrikbare houding van (de voorzitter van) de PAR. Onder voormelde omstandigheden, in het bijzonder de initiatieven van de raad van bestuur om afspraken over de wijze van samenwerking te maken – waar een goede en effectieve uitvoering van medezeggenschap mee valt en staat –, kan die stagnatie niet leiden tot het oordeel dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid van SMK te twijfelen. Daar komt bij dat de PAR dient te beseffen gebonden te zijn aan het wettelijke kader van de WMCZ en dat hij niet wegens zijn recht om ook ongevraagd advies uit te brengen een ongelimiteerd recht op informatie heeft, zoals hij lijkt te suggereren. De Ondernemingskamer is samenvattend van oordeel dat zolang SMK bereid is om de samenwerking met de PAR vorm te geven, de LCvV of een mediator in te schakelen en de PAR dit alles weigert, er geen gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken van SMK te twijfelen. Het enkele feit van een – door alle partijen erkende – ‘impasse’ in de medezeggenschap is hiertoe in dit geval onvoldoende.

De PAR heeft nog aangevoerd dat de weigering van SMK om de kosten van rechtsbijstand van de PAR te betalen een gegronde reden oplevert om aan een juist beleid van SMK te twijfelen. In het midden latend of er een wettelijke grondslag is op basis waarvan de PAR zijn (verdere) kosten van rechtsbijstand vergoed kan krijgen, overweegt de Ondernemingskamer dat een belangrijk deel van de door de PAR gemaakte kosten van rechtsbijstand een gevolg lijkt te zijn van de weigering van de PAR om het geschil met SMK op een constructieve wijze op te lossen. De conclusie uit de voorgaande overwegingen luidt dat de verzoeken van Zorgbelang en de PAR zullen worden afgewezen. Het primair door SMK ingenomen standpunt dat Zorgbelang niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek, behoeft gelet hierop geen nadere bespreking. De Ondernemingskamer ziet in dit geval geen aanleiding om een proceskostenveroordeling achterwege te laten. De Ondernemingskamer wijst er in dit verband op dat in de WMCZ en in de wettelijke regeling van het enquêterecht een expliciete bepaling ontbreekt die in de weg staat aan veroordeling van Zorgbelang als houder van het enquêterecht in de proceskosten. Zorgbelang, in het ongelijk gesteld, zal worden veroordeeld in de proceskosten van SMK, te vermeerderen met rente en nakosten en – eventueel – kosten van het betekeningsexploit, te vermeerderen met de wettelijke rente, een en ander zoals hierna te melden. Voor een veroordeling in verdere executiekosten ziet de Ondernemingskamer geen grond.