Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 1 juli 2015
ECLI:NL:RBDHA:2015:7458
Stichting Naleving CAO voor Uitzendkrachten/A c.s.
SNCU is in 2004 opgericht door werknemers- en werkgeversorganisaties in de uitzendbranche. Haar taken en bevoegdheden zijn neergelegd in de CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche. SNCU is in het leven geroepen om activiteiten te bevorderen die gericht zijn op het creëren van goede arbeidsverhoudingen in de uitzendbranche. Haar belangrijkste taken bestaan uit het geven van voorlichting en informatie, en op het (doen) uitvoeren van controles op correcte naleving van de CAO voor Uitzendkrachten en de CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche. Deze beide cao’s zijn algemeen verbindend verklaard voor de periode van (voor zover in deze civiele procedure van belang) 1 juli 2009 t/m 27 maart 2011. Bestuurders A, B, C en D zijn bestuurder geweest van X. SNCU stelt A, B, C en D hoofdelijk aansprakelijk voor een bedrag van in totaal € 101.822. Dit bedrag ziet op nabetalingen waar werknemers die in dienst zijn geweest van X op grond van de CAO Uitzendkrachten recht opzouden hebben. Tevens vordert SNCU betaling van een forfaitaire schadevergoeding van € 22.313.
De rechtbank oordeelt als volgt. Het formele verweer dat SNCU niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het onderzoek door SNCU bij X is aangevangen op 28 april 2011 en er toen geen sprake meer was van een algemeen verbindend verklaarde cao op grond waarvan SNCU daartoe bevoegd was, wordt onder verwijzing naar het arrest HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3458 (zie AR 2014-1011) verworpen. De rechtbank verwerpt ook het algemene formele verweer dat SNCU eerst X in rechte behoorde te betrekken voordat zij de bestuurders van X op grond van onrechtmatige daad in rechte kan betrekken. Dit verweer vindt immers geen steun in het civiele recht.
Ten aanzien van de vordering van € 101.822 wordt als volgt geoordeeld. Zonder nadere toelichting van SNCU, die ontbreekt, valt niet in te zien dat en op grond waarvan SNCU nu enkele jaren na het beëindigen van de onderneming van voormalig werkgever X alsnog een vordering zou kunnen instellen tegen de ex-bestuurders van X tot nabetaling aan de ex-werknemers van X van in totaal € 101.822 aan achterstallige cao-salarissen, welke vordering in wezen strekt tot alsnog nakoming door X van de algemeen verbindend verklaarde CAO voor Uitzendkrachten in de periode van 1 juli 2009 t/m 27 maart 2011. X bestaat immers al sinds in ieder geval 29 oktober 2012 niet meer en kan dus met andere woorden uit de aard der zaak deze gevorderde nabetalingen als ex-werkgever aan haar ex-werknemers (uitzendkrachten) zelf niet meer doen. In de door SNCU genoemde gevallen uit de rechtspraak (bijv. Hof Amsterdam 18 december 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY9449) was dit telkens anders. In die andere gevallen bestonden de desbetreffende ondernemingen nog wel en had SNCU dus zelf belang bij de gevorderde naleving van de algemeen verbindend verklaarde cao door nabetaling aan de desbetreffende werknemers van die nog bestaande werkgevers in de uitzendbranche. Bovendien moet de rechtbank constateren dat de ex-bestuurders zonder nadere toelichting van SNCU, die ontbreekt, nu in 2015 eenvoudigweg niet meer aan een dergelijke veroordeling zoals door SNCU gevorderd kunnen voldoen. Dit bij gebreke van alle daartoe benodigde gegevens van de ex-werknemers van X uit de periode van 1 juli 2009 t/m 27 maart 2011. Het gevorderde bedrag van € 101.822 wordt afgewezen.
Ten aanzien van de forfaitaire schadevergoeding wordt het volgende overwogen. Naar het oordeel van de rechtbank moet op grond van de niet of onvoldoende weersproken en aldus vaststaande inhoud van het eindrapport van Providius van 23 december 2011 in deze procedure worden aangenomen dat X de in het rapport van Providius vermelde bepalingen van de algemeen verbindend verklaarde CAO voor Uitzendkrachten heeft overtreden in de periode van 1 juli 2009 tot 27 maart 2011 en dat de ‘indicatieve materiële schadelast’ als gevolg daarvan moet worden vastgesteld op € 101.822 in totaal. Naar het oordeel van de rechtbank moet daarvan per definitie een ernstig persoonlijk verwijt worden gemaakt aan haar toenmalige bestuurders A en B. SNCU heeft het gevorderde forfaitaire bedrag van in dit geval € 22.313 niet onderbouwd en wordt door de rechtbank op grond van artikel 6 lid 2 van Reglement II vastgesteld op € 21.000. A en B worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van dit bedrag. De vorderingen jegens C en D worden afgewezen, omdat zij geen bestuurder waren in de in dit geval relevante cao-periode van 1 juli 2009 t/m 27 maart 2011. SNCU heeft geen relevante feiten gesteld die kunnen leiden tot de vergaande conclusie dat aan hen als opvolgend bestuurders van X na 27 maart 2011 persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de onderhavige overtredingen door X van de algemeen verbindend verklaarde cao’s in de periode van 1 juli 2009 t/m 27 maart 2011.