Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 14 juli 2015
ECLI:NL:GHDHA:2015:1855
werkgever/werknemer
Sinds 1 januari 2005 is werknemer werkzaam bij Dragon Food in de functie van chauffeur. Op 9 december 2011 heeft Dragon Food werknemer op staande voet ontslagen wegens het slaan van een collega met een stok. De arbeidsovereenkomst is voorwaardelijk opgezegd onder toekenning van een ontbindingsvergoeding van € 10.000. In eerste aanleg is de loonvordering van werknemer toegewezen, omdat Dragon Food er niet in is geslaagd te bewijzen dat er geen rechtvaardiging bestond voor het feit dat werknemer zijn collega met een stok of lat heeft geslagen en deze daarbij heeft verwond en dat werknemer schuld heeft aan deze gedraging. In hoger beroep vordert Dragon Food voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.
Het hof oordeelt als volgt. Werknemer heeft betwist dat zijn handelen een dringende reden opleverde, omdat hij handelde uit zelfverdediging en er derhalve sprake was van ‘noodweer’ dan wel ‘noodweerexces’. Voor zover Dragon Food zich op het standpunt heeft gesteld dat het door werknemer gebruikte geweld een dringende reden voor ontslag vormde, ongeacht of het uit zelfverdediging plaatsvond, miskent zij dat bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het ontslag alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking genomen moeten worden. De enkele omstandigheid dat werknemer een collega met een stok of lat heeft geslagen en verwond is onvoldoende om vast te stellen dat zich een dringende reden voor ontslag voordeed. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad rusten de stelplicht en de bewijslast van de dringende reden op de werkgever, in dit geval Dragon Food. De bewijslast van Dragon Food omvat, op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv, mede de omstandigheid dat het optreden van werknemer niet geschiedde uit zelfverdediging.
Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat Dragon Food met de afgelegde verklaringen er niet in is geslaagd te bewijzen dat sprake is van een dringende reden, ook niet in samenhang met het overgelegde beeldmateriaal. Werkgeefster heeft volgens haar verklaring niet gezien hoe het gevecht is begonnen en uit haar verklaring volgt ook niet dat werknemer het gevecht eenvoudig had kunnen vermijden dan wel zich daaraan eenvoudig had kunnen onttrekken. Dit blijkt ook niet uit het overgelegde beeld- en fotomateriaal. Uit de verklaringen van werknemer enerzijds en de collega anderzijds kan, ook in het licht van het overige bewijsmateriaal, niet met voldoende mate van zekerheid worden afgeleid wie van beiden gelijk heeft. Evenmin valt daaruit met voldoende zekerheid af te leiden dat werknemer het gevecht eenvoudig had kunnen vermijden of zich daaraan eenvoudig had kunnen onttrekken. Dragon Food voert verder aan dat nergens uit blijkt dat de collega van werknemer hem heeft bedreigd, zodat noodweerexces niet kan worden aangenomen. Daarbij miskent Dragon Food echter dat het er niet om gaat of is gebleken dat de collega van werknemer hem heeft bedreigd, maar of voldoende zekerheid bestaat dat er voor werknemer geen rechtvaardiging bestond voor het door hem gebruikte geweld en het hem ook niet kan worden verweten. Daarover bestaat op grond van de verklaringen van de collega van werknemer en werknemer niet voldoende zekerheid. Hetgeen Dragon Food voorts nog heeft aangevoerd, is niet van belang voor de vraag of het bewijs van de dringende reden is geleverd. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.