Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 20 juli 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:5373
Koninklijke Post NL B.V. c.s./X
PostNL Pakketten Benelux maakt voor de pakketverzorging gedeeltelijk gebruik van de diensten van zelfstandige pakketbezorgers (ook wel subcontracters genoemd). Zij heeft daartoe met deze subcontracters overeenkomsten gesloten. Deze subcontracters zijn: zelfstandige zonder personeel (ZZP'er), zelfstandige met werkend personeel (ZMP'er) of zelfstandige met een zelfstandige (ZMZ'er). Bij de zelfstandige pakketbezorgers heerst al lange tijd onvrede over de wijze waarop zij hun werk moeten verrichten en de beloning die zij daarvoor ontvangen. Een belangrijk deel van de zelfstandige bezorgers heeft zich georganiseerd in de vereniging Subco. Op enig moment heeft de FNV zich de belangen van de zelfstandige pakketbezorgers aangetrokken. Zij heeft met PostNL een ‘akkoord’ bereikt over een verbetering van de arbeidsvoorwaarden van de bezorgers. Volgens X (zelfstandig pakketbezorger, gedaagde in deze procedure) hebben PostNL c.s. en FNV het lot van de ZMZ’ers en ZMP’ers niet bij de onderhandelingen betrokken. Het ‘akkoord’ dat PostNL en de FNV hebben bereikt, heeft tot teleurstelling en verdere onvrede geleid bij de zelfstandige pakketbezorgers. Om die reden zijn zij actie gaan voeren waarbij bepaalde toegangen tot depots van PostNL gedurende korte of langere tijd zijn geblokkeerd en/of werkwillige bezorgers en derden de toegang tot de depots is belemmerd. Daarnaast hebben de bezorgers hun werkzaamheden uit hoofde van de met hen gesloten overeenkomsten gedurende bepaalde tijd gestaakt. Op 14 juli 2015 heeft in verband hiermee een kort geding plaatsgevonden tussen PostNL c.s. enerzijds en Subco en X anderzijds. Vervolgens heeft tussen hen een gesprek plaatsgevonden. In de dagen die hierop volgden, hebben blokkades plaatsgevonden bij depots. Op 17 juli 2015 hebben PostNL c.s. en X een gesprek gehad wat in de beleving van PostNL tot een onderhandelaarsakkoord heeft geleid. Op 18 juli hebben diverse bezorgers, onder wie X, diverse berichtjes op hun groepsapp van WhatsApp geplaatst, teneinde iedereen op te roepen een depot te blokkeren en de toegang tot diverse depots ‘totaal plat te gooien’. Een aantal dagen later zijn opnieuw een aantal depots geblokkeerd. PostNL c.s. vorderen dat X wordt verboden om door te gaan met het in enigerlei vorm organiseren, oproepen tot of verlenen van medewerking of steun aan enige vorm van collectieve actie. Post NL c.s. stellen dat sprake is van een onrechtmatige daad en, voor zover X op grond van artikel 6 ESH een stakingsrecht zou hebben, dit recht wordt beperkt door artikel G ESH.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Vooropgesteld wordt dat het in beginsel onrechtmatig is om de normale bedrijfsvoering van PostNL te frustreren door bepaalde toegangen tot depots te blokkeren en PostNL en derden te belemmeren. X beroept zich op een rechtvaardigingsgrond, te weten het stakingsrecht dat is neergelegd in artikel 6 aanhef en onder 4 ESH. Dit artikel heeft rechtstreekse werking in Nederland (HR 30 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9402, NJ 1986/688). Uit de tekst van dit artikel en het doel en de strekking van het ESH volgt dat het in dit verdrag neergelegde recht om collectief actie te voeren, is geschreven voor de verhouding tussen werkgevers en werknemers. Zelfstandige ondernemers kunnen zich in beginsel niet beroepen op dit artikel. Dit zou echter, zoals impliciet valt op te maken uit de uitspraak HvJ EU 4 december 2014 (C-413/13, zie AR 2014-1031), uitzondering kunnen lijden wanneer de groep zelfstandige ondernemers in werkelijkheid schijnzelfstandigen zijn, dat wil zeggen dienstverleners waarvan de situatie vergelijkbaar is met die van werknemers.
Voor zover in het kader van dit kort geding op basis van de door partijen naar voren gebrachte feiten en omstandigheden al zou kunnen worden aangenomen dat X kan worden aangemerkt als een schijnzelfstandige en dat een belangrijk deel van de zelfstandige pakketbezorgers die hij 'vertegenwoordigt' c.q. zich bij hem hebben aangesloten ook als schijnzelfstandigen kunnen worden aangemerkt, geldt dat hem dit niet kan baten, omdat niet kan worden geconcludeerd dat de acties waartoe X heeft opgeroepen onder de reikwijdte vallen van het stakingsrecht zoals neergelegd in artikel 6 aanhef en onder 4 ESH. Of (nog) sprake is van een collectieve actie in de zin van artikel 6 aanhef en onder 4 ESH wordt vooral bepaald door het antwoord op de vraag of de actie redelijkerwijs kan bijdragen tot de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. Alleen indien deze vraag bevestigend kan worden beantwoord, valt de collectieve actie onder het bereik van artikel 6 aanhef onder 4 ESH (HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1687, AR 2015-0568). Het is niet aannemelijk dat de acties waartoe X met zijn WhatsApp-berichten heeft opgeroepen redelijkerwijs kunnen bijdragen tot de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. De acties lijken veel op een 'flashmob' waar geen of nauwelijks grip op is. Er zijn geen aanknopingspunten gebleken die erop wijzen dat het doel van de acties is geweest om te komen tot een doeltreffende manier van onderhandelen. Weliswaar zijn na het kort geding van dinsdag 14 juli 2015 onderhandelaars naar voren geschoven, waaronder Subco en X, maar dat die een duidelijk mandaat van een groep van zelfstandige pakketbezorgers hadden, is niet gebleken. Bovendien is niet duidelijk wie Subco en X nu precies vertegenwoordigden tijdens die onderhandelingen. Het wordt X verboden collectieve acties zoals in deze procedure aan de orde of soortgelijke collectieve acties te organiseren (waaronder begrepen het oproepen tot en deelnemen aan), tenzij dit – in tegenstelling tot wat in dit kort geding aan de orde was – onder het bereik van artikel 6 aanhef en onder 4 ESH zou vallen.