Naar boven ↑

Rechtspraak

X/werknemers
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 26 mei 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:3708

X/werknemers

Werknemers hebben geen spoedeisend belang bij vordering tot aanbieding van een arbeidsovereenkomst na contractwisseling.

Drie werknemers zijn in dienst geweest van Hago als interieurverzorger. De CAO voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf 2012-2013 is op de arbeidsovereenkomsten van toepassing. Deze cao is algemeen verbindend verklaard. Artikel 38 van de cao gaat over werkgelegenheid bij contractwisseling. In april 2013 heeft een school aan Hago het schoonmaakcontract opgezegd tegen 20 juli 2013 en de schoonmaakwerkzaamheden vervolgens uitbesteed aan X. Hago en de werknemers hebben aanspraak gemaakt op verplichte overname door X van het personeel op grond van artikel 38 van de cao, hetgeen X heeft geweigerd. De werknemers hebben daarop X in kort geding betrokken. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen tot, kort gezegd, toelating tot het werk en doorbetaling van het loon, aanbieding door X van arbeidsovereenkomsten aan de werknemers en vordering aan X om schriftelijk bewijs over te leggen waaruit blijkt dat de werknemers wat betreft de pensioenen en de overige verzekeringen een ononderbroken arbeidscontract hebben gehad, met kostenveroordeling, toegewezen.

Het hof oordeelt als volgt. X heeft aangevoerd dat een verschil bestaat tussen het geven van een voorlopig oordeel dat de werknemer tot het werk moet worden toegelaten alsmede dat loon moet worden betaald, en het verplicht moeten aanbieden van een arbeidsovereenkomst. Dit laatste zou een te definitief oordeel zijn, dat na acceptatie moeilijk op eenvoudige wijze kan worden teruggedraaid, aldus X. Dit geldt ook voor het leveren van schriftelijk bewijs dat de werknemers wat betreft het pensioen en over verzekeringen waartoe de cao X verplicht, rond de contractwisseling een ononderbroken arbeidsovereenkomst hebben gehad. Om die reden had ook een dwangsom niet mogen worden opgelegd, aldus X. Het hof leidt hieruit af dat de eerste grief zich niet richt tegen de veroordeling van X tot toelating van de werknemers tot de werkzaamheden en de doorbetaling van het loon. Van de zijde van X ligt daarmee in hoger beroep uitsluitend voor de toewijzing van de vordering dat X aan de werknemers verplicht een arbeidsovereenkomst moet aanbieden en in het verlengde daarvan de veroordeling (kort gezegd) om schriftelijk bewijs over te leggen waaruit blijkt dat de werknemers voor wat betreft de pensioenen en de overige verzekeringen een ononderbroken arbeidscontract hebben gehad, op straffe van een dwangsom. De werknemers hebben thans geen spoedeisend belang bij hun hier aan de orde zijnde vordering tot aanbieding van een arbeidsovereenkomst zodat deze reeds daarom alsnog wordt afgewezen.