Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 juli 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:5544

werknemer/werkgever

Concurrentiebeding niet zwaarder gaan drukken nu functiewijziging voorzienbaar was. Belangenafweging leidt niet tot matiging van het concurrentiebeding.

Werknemer is in 2001 in dienst getreden van werkgever, een onderneming die zich onder meer bezighoudt met Verspaning. Verspaning omvat alle vormen van materiaalbewerking, waarbij door middel van hand- of machinegereedschap materiaaldelen worden weggenomen en spanen ontstaan. Op zijn arbeidsovereenkomst was reeds een concurrentiebeding van toepassing. In 2010 zijn nieuwe afspraken gemaakt waarbij opnieuw het concurrentiebeding is overeengekomen. Op 30 januari 2015 zegt werknemer zijn arbeidsovereenkomst op tegen 1 maart 2015 om in dienst te treden van X, een groothandel in staal, rvs en aluminium in Nederland en concentreert zich op de multimetalbranche. Werkgever heeft de opzegging bevestigd en werknemer aan het concurrentie- en relatiebeding gehouden. X heeft eind maart met werknemer een beëindigingsovereenkomst gesloten. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat werknemer aan de bezwarende bedingen gebonden is.

Het hof oordeelt als volgt. Voor de beoordeling van de vorderingen betreffende het non-concurrentiebeding stelt het hof voorop dat de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en werkgever vóór 1 januari 2015 tot stand is gekomen, zodat ingevolge de Overgangsbepaling XXIIc van de Wet werk en zekerheid artikel 7:653 BW van toepassing is zoals dat vóór 1 januari 2015 luidde. In de tekst van het non-concurrentiebeding is niet expliciet opgenomen dat het non-concurrentiebeding betrekking heeft op of is beperkt tot zijn functie als verkoper. Volgens de bewoordingen in het beding strekt het non-concurrentiebeding zich uit tot, kort gezegd, werkzaamheden die gelijk zijn aan of concurrerend zijn met de activiteiten van werkgever. Het non-concurrentiebeding is eind april 2010 aan werknemer ter ondertekening aangeboden en de ondertekening van dat beding is gedateerd op 21 mei 2010. Op dat moment was werknemer reeds vijf jaar als verkoper werkzaam. Werknemer heeft onbestreden gelaten dat hij als verkoper een goede ontwikkeling doormaakte, nog een stap wilde zetten en daarvoor bij werkgever ook aandacht heeft gevraagd. In april 2010 is met werknemer de afspraak gemaakt dat als in de rest van dat jaar zou blijken dat hij zich had ontwikkeld tot het niveau behorend bij functieschaal 7 (de schaal voor de senior verkoper) hij in die schaal zou worden ingeschaald en (naast een loonsverhoging van 150 euro bruto per 1 juli 2010) nog tweemaal achtereen een halfjaarlijkse salarisverhoging zou krijgen van in totaal 175 euro bruto. In de brief van 23 april 2010, waarin werkgever deze afspraken heeft bevestigd, heeft werkgever als bijlage het non-concurrentiebeding meegezonden, welk beding werknemer nadien heeft ondertekend. Mede in het licht van deze omstandigheden van het geval is het hof voorshands van oordeel dat het non-concurrentiebeding aan werknemer ter ondertekening is voorgelegd tegen de achtergrond van zijn naderende promotie tot senior verkoper. Werkgever heeft daarmee redelijkerwijs beoogd werknemer als (ervaren) verkoper en (beginnend) senior verkoper aan dat non-concurrentiebeding te binden en werknemer heeft redelijkerwijs die betekenis daaraan ook kunnen toekennen. Onder deze omstandigheden heeft het non-concurrentiebeding (mede) betrekking op de taken en verantwoordelijkheden als senior verkoper, zodat de voorzieningenrechter terecht heeft geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het non-concurrentiebeding zwaarder op werknemer is gaan drukken nadat hij als senior verkoper werkzaam was. Het hof voegt daar nog aan toe dat uit de AVM-arresten (HR 5 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2221 en AZ2224) volgt dat het aan de werknemer is om te stellen dat sprake is van een wijziging van de arbeidsverhouding van ingrijpende aard en waarom zulks meebrengt dat het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat naar het voorlopig oordeel van het hof werknemer ten onrechte heeft verondersteld dat hij niet meer aan het non-concurrentiebeding met werkgever was gebonden. Deze onterechte veronderstelling ligt in zijn risicosfeer. De voorzieningenrechter heeft er terecht op gewezen dat werknemer zijn risico had kunnen beperken door eerst met werkgever zijn voornemen om naar concurrent X over te stappen te bespreken en voor zover werkgever hem aan zijn concurrentiebeding wilde houden daarover een rechterlijk oordeel in te winnen. Het non-concurrentiebeding beperkt werknemer gedurende een jaar na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst in dienst te treden bij concurrenten die op het marktsegment van werkgever actief zijn. Volgens werkgever ligt zijn marktaandeel in Nederland en zijn zijn concurrenten vooral X, Y en Z. Daarmee is naar het voorlopig oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat de reikwijdte van het non-concurrentiebeding beperkt is. Dit brengt mee dat daardoor voor werknemer voldoende mogelijkheden zijn een commerciële functie van (senior) verkoper in de regio waarin hij woont te betrekken. Werknemer heeft niet gesteld dat die mogelijkheden voor hem, buiten de branche waarin hij bij werkgever actief was, niet bestaan en dat hij daartoe allerlei serieuze pogingen heeft ondernomen die zonder succes zijn gebleven.