Naar boven ↑

Rechtspraak

X/Y
Rechtbank Noord-Nederland, 30 juli 2015
ECLI:NL:RBNNE:2015:3692

X/Y

Geschil over de vraag of redacteur werkzaam is op basis van arbeidsovereenkomst dan wel een overeenkomst van opdracht. Kort geding leent zich niet voor feitenonderzoek c.q. bewijslevering

X is sinds 2003 in dienst van een uitgeverij. Zij ontvangt sindsdien, naast haar salaris, een vergoeding van € 1.000. Er heeft een overgang van onderneming plaatsgevonden, met Y als verkrijgende partij. Sinds januari 2015 heeft Y de maandelijkse facturen van € 1.000 niet meer voldaan. X vordert doorbetaling van haar honorarium van € 1.000 per maand. Zij stelt dat bij haar indiensttreding mondeling is overeengekomen dat zij een factuur van € 1.000 kon indienen voor additioneel journalistiek werk. Dit werd in 2006 in een overeenkomst van opdracht gegoten. X stelt primair dat ex artikel 7:610a BW sprake is van een arbeidsovereenkomst. Subsidiair stelt zij dat er sprake is van een arbeidsverhouding conform artikel 1 lid b onder 2 BBA. In beide gevallen is voor de beëindiging een ontslagvergunning nodig. X heeft de nietigheid van de beëindiging ingeroepen, waardoor de arbeidsovereenkomst dan wel de arbeidsverhouding doorloopt.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Vaststaat dat tussen de uitgeverij en X op 24 maart 2006 een overeenkomst van opdracht is gesloten, waarin is bepaald dat X voor de uitgeverij twee filmpjes per maand zal maken waarvoor X in totaal € 1.000 in rekening mag brengen. Verder staat vast dat deze werkzaamheden in 2009 zijn beëindigd, maar dat X daarna nog elke maand een factuur van € 1.000 in rekening heeft gebracht. Uit de brieven die X in het geding heeft gebracht blijkt niet ondubbelzinnig dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. X heeft immers, onder meer, in deze brieven vermeld dat zij voor het bedrag dat zij factureert extra werkzaamheden in haar eigen tijd heeft verricht en dat voor het aanvullende gedeelte van haar honorarium een freelancecontract is opgesteld voor € 1000 dat elke drie jaar stilzwijgend wordt verlengd. Daarnaast heeft zij gesteld dat zij voor deze werkzaamheden 4 uren wordt vrijgesteld. Anderzijds heeft zij gesteld dat de additionele vergoeding als loon moet worden gezien. De door X overgelegde verklaringen van de voormalig hoofdredacteur en C bieden evenmin een duidelijk beeld over de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst. De voormalig hoofdredacteur heeft immers slechts verklaard dat een mondelinge afspraak is gemaakt dat X maandelijks € 1.000 extra mocht factureren in ruil voor ten minste één interview of ander omvangrijk artikel per maand. C heeft aan de ene kant verklaard dat X de facturen van € 1.000 sinds haar indiensttreding bij de uitgeverij als freelancer ontving voor extra journalistieke werkzaamheden, dat dit was bedoeld ter compensatie van het verschil in inkomsten door de overstap van haar eerdere baan en dat dit vervolgens in een Overeenkomst van Opdracht is vastgelegd. Aan de andere kant heeft C verklaard dat die overeenkomst niets anders was dan een constructie om de inkomsten uit werkzaamheden bij de uitgeverij te garanderen en te continueren en dat het de uiteindelijke bedoeling was dat het honorarium van € 1.000 in het vaste salaris zou worden opgenomen zodra dit op grond van de cao of het beloningsbeleid mogelijk was. Zonder nader feitelijk onderzoek c.q. nadere bewijsvoering kan niet worden vastgesteld of er sprake is van een arbeidsovereenkomst dan wel een overeenkomst van opdracht. Aangezien een kort geding zich hier niet voor leent, wordt de vordering afgewezen.