Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 7 januari 2013
ECLI:NL:RBAMS:2013:9952
A c.s./Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Vier werknemers waren voor 36 uur per week in dienst bij de uitvoeringsinstelling USZO. Het USZO is tezamen met een aantal andere uitvoeringsinstellingen opgegaan in UWV. Met ingang van 1 januari 2003 is de CAO UWV van toepassing geworden op de arbeidsovereenkomsten. Op grond daarvan bedraagt de arbeidstijd van een fulltime arbeidsovereenkomst 38 uur per week. Werknemers zijn feitelijk 36 uur blijven werken. Nadat UWV aan alle medewerkers uitdrukkelijk de mogelijkheid daartoe had geboden, zijn zij met ingang van 2007 38 uur per week gaan werken. Door het Hof Amsterdam (zie AR 2009-0340) is voor recht verklaard dat de arbeidstijd van de betreffende medewerkers met ingang van 1 januari 2003 38 uur per week bedraagt. In de onderhavige procedure vorderen de werknemers voor recht te verklaren dat met ingang van 1 januari 2003 voor hen ex artikel 4.1 van de cao, een arbeidstijd van 38 uur per week gold, tot en met 31 juli 2007. Ze vorderen betaling van achterstallig salaris.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer D heeft in zijn vertrekregeling finale kwijting verleend aan het UWV, zodat zijn vordering wordt afgewezen. Op grond van artikel 3:308 BW zijn de vorderingen van de andere drie werknemers verjaard voor zover zij betrekking hebben op de periode gelegen vóór 31 juli 2004. Uit de toepasselijke cao-bepalingen en de door het hof gegeven uitleg daarvan volgt dat de arbeidstijd van het fulltime dienstverband van de werknemers ingaande 1 januari 2003 wijzigde van 36 naar 38 uur per week. Daarbij is ook van belang dat het hof het argument van UWV, inhoudende dat ‘…het merendeel van de oud-USZO medewerkers 36 uur is blijven werken' heeft betrokken in zijn oordeel, maar niet relevant heeft bevonden voor de uitleg van de overgangsrechtelijke bepalingen van de cao. Met UVW wordt geoordeeld dat aanspraak op betaling van loon over twee extra uren slechts aanwezig kan zijn indien voldoende komt vast te staan dat de werknemers ook om twee extra uren hebben verzocht en daarvoor beschikbaar waren. Dat de werknemers aan hun toenmalige teamleider hebben verzocht om 38 uur te mogen werken heeft UWV op zichzelf niet betwist, althans – voor het geval UWV heeft bedoeld dit wel te betwisten – heeft UWV die betwisting onvoldoende onderbouwd. UWV heeft wel aangevoerd dat dit verzoek buiten beschouwing moet blijven omdat dit niet is gedaan bij een manager die bevoegd was om over extra uren te beslissen. UWV wordt hier niet in gevolgd. De werknemers hebben het verzoek gedaan aan hun direct leidinggevende. Deze kan uit de aard van zijn functie geacht worden UWV te vertegenwoordigen bij het geven van opdrachten aan de werknemers. Dat de teamleider met het oog op ‘het toenmalig personeelsbeleid’ de betreffende verzoeken (kennelijk) niet in behandeling heeft gegeven aan de daarvoor aangewezen managers van UWV, kan niet aan de werknemers worden tegengeworpen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken op grond waarvan de vorderingen van de werknemers naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zouden zijn. Zij zijn het gevolg van het feit dat UWV ten aanzien van de arbeidsduur van een fulltime dienstverband pas in 2007 een cao-bepaling is gaan naleven waaraan zij reeds vanaf januari 2003 gebonden was. De loonvordering wordt toegewezen vanaf 31 juli 2004 tot en met 31 juli 2007.