Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 29 juli 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:5474

werknemer/werkgeefster

Goed werkgeverschap verzet zich tegen terugvordering studiekosten van monteur. Indien werknemer bij indiensttreding wordt verplicht opleiding te volgen, past meer terughoudendheid voor het aannemen van een terugbetalingsregeling dan wanneer het een opleiding betreft die de werknemer op eigen verzoek heeft gevolgd.

Werknemer is op 15 juli 2013 in dienst getreden in de functie van monteur. Partijen zijn een studiekostenovereenkomst overeengekomen. Werkgeefster heeft werknemer bij brief van 13 juni 2014 meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst, die op 15 juli 2014 afloopt, niet wordt verlengd. Werkgeefster heeft zich onder verwijzing naar de studiekostenovereenkomst op het standpunt gesteld dat werknemer de gemaakte kosten dient terug te betalen. Centrale vraag is of werkgeefster op terechte gronden € 732,40 netto op het loon van werknemer over de maand juni 2014 heeft ingehouden door dit bedrag te verrekenen met de vordering tot terugbetaling van de studiekosten, die zij op werknemer stelt te hebben.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Tussen partijen is op zichzelf niet in geschil dat, nu de arbeidsovereenkomst van werknemer op 15 juli 2014 van rechtswege eindigde en door werkgeefster niet werd verlengd en werknemer op dat moment het examen voor de opleiding tot APK-keurmeester nog niet had gehaald, werknemer op grond van de artikelen 3 en 4 van de studiekostenovereenkomst verplicht was om alle kosten van de door hem gevolgde cursussen aan werkgeefster terug te betalen. Tussen partijen staat ook vast dat de studiekosten in totaal € 2.937,88 inclusief btw bedragen. Onder verwijzing naar artikel 6:248 BW en het arrest Muller/Van Opzeeland (HR 10 juni 1983, RvdW 1983/122) oordeelt de kantonrechter dat de eisen van goed werkgeverschap zich in dit geval tegen terugvordering van de gemaakte studiekosten verzetten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat werkgeefster zelf heeft gesteld dat zij werknemer bij indiensttreding de verplichting heeft opgelegd om de opleiding tot APK-keurmeester te volgen. In een dergelijk geval past meer terughoudendheid voor het aannemen van een terugbetalingsregeling dan wanneer het een opleiding betreft die de werknemer op eigen verzoek heeft gevolgd. Werkgeefster heeft werknemer er bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst en de studiekostenovereenkomst niet schriftelijk op gewezen dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd als hij het examen van de opleiding tot APK-keurmeester niet binnen de looptijd van de arbeidsovereenkomst zou halen en dat hij in dat geval dus niet in de gelegenheid zou zijn om de 48 maanden vol te maken om de kosten zo ‘terug te verdienen’. Ook is werknemer niet schriftelijk meegedeeld hoe hoog de studiekosten zouden zijn, terwijl deze kosten in verhouding tot zijn salaris aanzienlijk zijn, te weten bijna twee netto maandsalarissen. Werknemer heeft gesteld dat het slagingspercentage voor het examen APK2 van 1 oktober 2013 tot 1 juni 2014 50% was bij een deelnemersaantal van 566 deelnemers. Dit is door werkgeefster niet gemotiveerd betwist. Niet is gebleken dat werkgeefster werknemer er bij indiensttreding op heeft gewezen dat het halen van het examen geen gemakkelijke opgave zou zijn, terwijl in de rede ligt dat dit haar bekend was. De kantonrechter weegt voorts mee dat de arbeidsovereenkomst op initiatief van werkgeefster niet is verlengd en dat werknemer hierdoor niet in de gelegenheid is gesteld het examen alsnog op kosten van werkgeefster te halen. Werkgeefster heeft niet gesteld dat werknemer niet genoeg zijn best heeft gedaan om het examen te halen. De vordering van werknemer tot betaling van het loon over de maand juni 2014 ter hoogte van € 732,40 netto wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening. De gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW wordt (bij wege van matiging) gesteld op een percentage van 10% van het bedrag van € 732,40, nu dit percentage op grond van de omstandigheden van het geval billijk voorkomt.