Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 11 augustus 2015
ECLI:NL:GHSHE:2015:3181
werknemer/Stichting Thuiszorg Helpende Hand
Werknemer is op 1 augustus 2003 voor bepaalde tijd in dienst getreden van THH als beleidsmedewerker. Vanaf 1 januari 2005 is hij aangesteld als directeur (niet statutair) van THH. Op 11 maart 2010 is werknemer op non-actief gesteld, waarna de arbeidsovereenkomst tussen partijen bij beschikking van 14 oktober 2010 met ingang van 1 november 2010 door de kantonrechter is ontbonden. Daarbij is aan werknemer geen vergoeding toegekend. Op 24 november 2010 heeft THH werknemer een eindafrekening verstrekt. Het onderhavige geschil heeft betrekking op die afrekening. In de kern komt het geschil tussen partijen erop neer dat werknemer op verschillende gronden aanspraak maakt op een (na)betaling van € 59.387,05 bruto, bestaande uit niet-genoten en niet-uitbetaalde verlofuren, bonusregelingen en toepasselijkheid CAO Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg.
Het hof oordeelt als volgt. Ten aanzien van het beroep op verjaring van de vordering van werknemer overweegt het hof dat een vordering ter zake uitbetaling van verlof haar grondslag vindt in artikel 7:641 lid 1 BW. Deze vordering verjaart ingevolge het bepaalde in artikel 3:308 lid 1 BW na verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. De op artikel 7:641 lid 1 BW gebaseerde vergoeding in geld is pas opeisbaar geworden op het moment waarop de arbeidsovereenkomst eindigde. Gesteld noch gebleken is dat partijen voor (een deel van) het verlof anders zijn overeengekomen. Bepalend voor de omvang van de vergoeding is dan de omvang van de aanspraak op verlof zoals die aan het eind van de arbeidsovereenkomst op 1 november 2010 bestond: het aantal uren verlof waar werknemer op dat moment in rechte nog aanspraak op kon maken. Bij de vaststelling van die aanspraak op 1 november 2010 dient, gelet op het verweer van THH, de verjaringsregeling van artikel 7:642 (oud) BW in aanmerking te worden genomen. Omdat ingevolge bestaande jurisprudentie (HR 10 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1504) bij het opnemen van verlof de oudste uren als het eerst genoten dienen te worden beschouwd, staat hiermee in elk geval vast dat werknemer het over 2003 opgebouwde verlof in 2004 heeft genoten, waarna per saldo 65,5 uur verlof uit 2004 is meegenomen naar 2005. In 2005 heeft werknemer 204 uur aan verlof opgenomen, waarvan dan 65,5 uur uit 2004 en 138,5 uur uit 2005. Per 31 december 2005 bestond dan nog een verlofaanspraak van 117,5 uur over 2005 opgebouwde uren, die ingevolge het bepaalde in artikel 7:642 BW pas kan zijn verjaard op 1 januari 2011. Ingevolge deze bepaling zijn verlofaanspraken die in 2004 of eerder waren opgebouwd per 1 januari 2010 verjaard, maar uit het voorgaande volgt dat dergelijke aanspraken op 1 januari 2010 niet meer bestonden. Voor daarna ontstane verlofaanspraken was op 1 november 2010 de verjaringstermijn van artikel 7:642 BW niet verstreken. Een en ander betekent dat grief 1 slaagt. Voor wat betreft de vaststelling van de verlofaanspraak gaat het hof daarom uit van een beginsaldo per 1 januari 2006 van 117,5 uren, te vermeerderen met de opbouw zoals deze door werknemer is aangevoerd. Per saldo komt dit tot 1 november 2010 neer op een opbouw van 1.284 uur. Verminderd met het genoten verlof stelt het hof vast dat per 1 november 2010 nog een verlofaanspraak bestond van 483 uur.
De getroffen levensloopregeling betreft een regeling tot sparen ten behoeve van werknemer als bedoeld in artikel 7:631 lid 3 onderdeel d BW. Onweersproken is dat deze regeling voldoet aan de voorwaarden die deze bepaling daaraan stelt. Op grond van artikel 7:631 lid 4 BW mag THH de daarvoor benodigde bedragen op het loon van werknemer inhouden, zoals zij ook heeft gedaan. Het werkelijke geschilpunt, zo volgt uit de dagvaarding, betreft de vraag of de betalingen voor de levensloopregeling ten laste van het overeengekomen vaste maandloon moesten plaatsvinden (standpunt van THH) of naast het overeengekomen vaste maandloon, derhalve als een extra looncomponent (standpunt van werknemer). De grondslag voor de vordering in geding betreft dus de betaling van volgens werknemer ten onrechte niet betaald loon en niet een rechtsvordering die haar grondslag vindt in het bepaalde in artikel 7:631 BW. Op die vordering is de korte verjaringstermijn van artikel 7:631 lid 8 BW dan ook niet van toepassing. Gelet op de standpunten van partijen is het aan werknemer, die zich erop beroept dat partijen zijn overeengekomen dat hij naast het in de arbeidsovereenkomst vastgestelde maandloon tevens recht heeft op betaling door de werkgever van de premie voor de levensloopregeling, om het bewijs daarvan bij te brengen.
Werknemer vordert voorts een eindejaarsuitkering van 0,6% van het jaarloon conform de cao. In de aanhef van de overeenkomst staat vermeld dat deze is aangegaan ‘in overeenstemming met de cao Thuiszorg’, maar dat is wat anders dan dat de bepalingen van deze cao (integraal) op de overeenkomst van toepassing worden verklaard. Het feit dat in de arbeidsovereenkomst veelvuldig naar de cao wordt verwezen maakt dit niet anders. Dat is veeleer een bevestiging voor het standpunt dat de cao niet integraal op de arbeidsovereenkomst van toepassing is verklaard, want zou dat wel het geval zijn geweest, dan zouden de verschillende verwijzingen naar de cao overbodig zijn geweest.
Volgt aanhouding van de zaak.