Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 17 november 2014
ECLI:NL:RBAMS:2014:9710
werknemer/Stichting Pensioenfonds Mercurius Amsterdam
Laatstelijk voerde Pensioenfonds Mercurius Amsterdam (hierna: PMA) de pensioenen uit voor vijf werkgevers, waaronder Euronext. Werknemer is van 1990 tot 1998 bij (de rechtsvoorganger van) Euronext in dienst geweest. Vanaf 1992 nam werknemer deel in PMA. Zijn pensioenregeling was een zogenoemde eindloonregeling. In 1998 is werknemer in dienst getreden bij Federation of European Stock Exchanges (FESE). FESE was geen bij PMA aangesloten werkgever. Om een pensioenbreuk te voorkomen heeft FESE op verzoek van werknemer zijn pensioenregeling bij PMA voortgezet. In dat verband heeft FESE de opgebouwde pensioenrechten van werknemer bij Euronext overgenomen, afgefinancierd en tijdens het dienstverband met werknemer verder opgebouwd. Werknemer is in 2005 op 62-jarige leeftijd met pensioen gegaan. Omstreeks 2008 is bij PMA een situatie geconstateerd, waarbij de dekkingsgraad aanzienlijk onder het niveau van het minimaal vereiste vermogen daalde (een onderdekking). Naar aanleiding daarvan heeft PMA in oktober 2008 bij De Nederlandse Bank (DNB) een zogenaamd korte- en een langetermijnherstelplan ingediend, waarbij de onderdekking ultimo 2013 opgeheven zou zijn. In de uitvoeringsovereenkomsten met de aangesloten werkgevers voor 2012-2013 is voor iedereen een premieopslag van 10% overeengekomen. Die is nagekomen. In 2013 is overeengekomen dat de vijf werkgevers meewerken aan een aanvullende bijstorting. FESE heeft geweigerd om tot bijstorting ten behoeve van werknemer over te gaan. In totaal is werknemer daarom 10,4% gekort op zijn pensioen. Werknemer vordert – na wijziging van eis – te verklaren voor recht dat de extra kortingsmaatregelen van 1 december 2013 (korting 4%) en 1 april 2014 (korting 3,4%) in strijd zijn met de Pensioenwet en om PMA te veroordelen tot het met terugwerkende kracht ongedaan maken van de extra kortingsmaatregelen en een nabetaling te verrichten.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het thans aan de orde zijnde geschil komt neer op de vraag of in casu de Pensioenwet verhindert dat bij een korting ingevolge artikel 134 Pensioenwet, onderscheid gemaakt mag worden tussen pensioenrechten en -aanspraken van werknemers van een wel en een niet bijstortende werkgever. Hoewel deze vraag in meer algemene zin te beantwoorden is, wenst de kantonrechter niettemin alvorens daartoe over te gaan nadere informatie van partijen over de specifieke situatie van PMA als pensioenfonds voor diverse gescheiden ondernemingen, over de aantallen werknemers van de verschillende werkgevers, over de uitkeringsaanspraken van de verschillende deelnemers en over het resultaat waartoe de bijstortingen van de andere aangesloten werkgevers voor de deelnemers hebben geleid. Volgt aanhouding van de zaak (red.: voor eindvonnis zie AR 2015-0587).