Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 10 augustus 2015
ECLI:NL:RBAMS:2015:5389
werknemer/Stichting Pensioenfonds Mercurius Amsterdam
(Vervolg tussenvonnis, zie AR 2015-0586.) Op de zitting is nog komen vast te staan dat uiteindelijk acht werkgevers hebben deelgenomen in PMA. Werknemer heeft na afloop van zijn dienstverband bij Euronext, FESE verzocht – teneinde een pensioenbreuk te vermijden – om vrijwillig in PMA deel te mogen nemen. Werknemer is de enige deelnemer van FESE in PMA. Niet alle deelnemers in PMA hebben dezelfde aanspraken. Ook zijn er verschillen in de pensioenopbouw c.q. -bijdrage. Binnen PMA vormen alle aanspraken één financieel geheel als bedoeld in artikel 123 lid 1 Pw, dat wil zeggen er is een gezamenlijk vermogen en de dekkingsgraad wordt ook gezamenlijk berekend. De deelnemers van Atos, FESE en Tijdbeursmedia zijn in totaal voor 10,4% gekort. De deelnemers van AFM, Euroclear, DSI voor 6,223% respectievelijk 6,225% en die van Euronext en Clearnet voor 3%. Indien PMA de voorwaarde van de bijstortende werkgevers – dat de gelden slechts aan de eigen deelnemers ten goede mochten komen – niet had geaccepteerd, was de bijstorting geweigerd en zouden alle deelnemers met 10,4% zijn gekort. PMA is sedert 1 januari 2014 in liquidatie, waarbij – naar verwachting – na de afwikkeling een batig saldo resteert. Dat saldo zal worden aangewend voor een (eenmalige) ophoging van de aanspraken van de deelnemers in PMA. Kern van het geschil tussen partijen wordt gevormd door de vraag of bij toepassing van de korting van artikel 134 Pw onderscheid gemaakt mag worden tussen pensioenrechten en -aanspraken van deelnemers van een wel en een niet bijstortende werkgever, en of het verbod op het zogeheten ‘ringfencing’ van artikel 123 Pw aan een gedifferentieerde korting in de weg staat.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit hoofde van artikel 123 Pw is een pensioenfonds dat voor meerdere werkgevers pensioenregelingen uitvoert, gehouden om de ingelegde vermogens als één geheel te beschouwen, zodat een dekkingstekort van de één kan worden opgelost door de reserves van het totale fonds. Dit principe van ‘kruisbestuiving’ berust op onderlinge solidariteit en brengt mee dat het vermogen van een pensioenfonds als PMA als één geheel wordt aangemerkt voor alle pensioenaanspraken en -rechten van alle deelnemers van alle aangesloten ondernemingen. PMA heeft zich daaraan ook gehouden, nu vaststaat dat er geen (administratief) afgescheiden vermogens hebben bestaan voor de afzonderlijke ondernemingen, waarvoor PMA de verschillende pensioenregelingen uitvoert c.q. uitvoerde. Dit uitgangspunt brengt echter niet mee dat PMA geen onderscheid mag (of zelfs moet) maken bij de uitvoering van de diverse pensioenregelingen, onder meer op grond van de contractuele of vrijwillige bijstortingsplicht van een aangesloten werkgever. De wet bepaalt slechts wanneer een pensioenfonds mag korten, maar schrijft niet voor dat het kortingspercentage voor alle deelnemers in het pensioenfonds altijd hetzelfde moet zijn. Bovendien geldt dat PMA als uitgangspunt voor alle deelnemers hetzelfde kortingspercentage van 10,4% heeft berekend, zodat in beginsel iedere pensioenaanspraak in dezelfde mate zou worden gekort. Dat een deel van de aangesloten werkgevers uit hoofde van de pensioenovereenkomst gehouden was of om andere redenen bereid bleek de gevolgen van de kortingen voor ‘hun’ deelnemers door bijstortingen (gedeeltelijk) te compenseren, doet aan dat uitgangspunt niet af. Daar waar alle werkgevers op gelijke wijze de mogelijkheid krijgen ten behoeve van hun deelnemers tot bijstorten over te gaan, kan de kantonrechter niet inzien op welke wijze de in artikel 105 lid 2 Pw voorgeschreven evenwichtige belangenbehartiging van de deelnemers wordt geschaad. PMA heeft voldoende gedaan om ook FESE te bewegen tot bijstorting over te gaan. Dat FESE dat heeft geweigerd kan werknemer niet aan PMA verwijten. Het vorenstaande impliceert dat PMA de pensioenuitkeringen van onder meer werknemer heeft mogen korten, zoals zij heeft gedaan. Volgens werknemer had PMA bij bijstorting rekening dienen te houden met de jaren die werknemer in dienst van Euronext – een wel bijstortende werkgever – heeft doorgebracht en hem niet (alleen) mogen laten aansluiten bij zijn laatste werkgever FESE, die niet heeft bijgestort. Deze stelling wordt gepasseerd. Bij de overgang van werknemer van Euronext naar FESE heeft de laatstgenoemde de bestaande pensioenopbouw voor werknemer van Euronext overgenomen, voortgezet én afgefinancierd. Daarmee is de pensioenverplichting van Euronext ten aanzien van werknemer geëindigd en is hij niet meer aan te merken als een deelnemer van Euronext, ook niet in de jaren van zijn dienstverband bij Euronext. Tot slot heeft werknemer nog aangevoerd dat niet blijkt dat DNB de extra kortingsmaatregel voor de werknemers van Atos, Tijdbeursmedia en FESE heeft goedgekeurd, reden waarom het doorvoeren van de korting ten aanzien van hem strijdig is met de wet. Deze stelling van werknemer miskent echter dat DNB op de hoogte is gesteld van de door PMA voorgestelde c.q. voorgenomen kortingen, daar geen opmerkingen bij heeft geplaatst en (derhalve) deze heeft goedgekeurd. Volgt afwijzing van de vordering.